Mijn meest gelezen

zaterdag 19 augustus 2017

En bedankt!

Bij vlagen prettig gestoord of volkomen hotsieknots, maar tegelijkertijd een van de gewoonste mensen die je kunt tegenkomen. Qua koffie ben ik dat dan weer niet, want die drink ik bij voorkeur met twee zoetjes. Maar net zoals veel andere gewone mensen heb ik vaak een liedje in mijn hoofd. Sommige liedjes die in mijn hoofd nestelen, met name de liedjes die ik zelf leuk vind, maken mijn dag echt helemaal top. Allemachies, dan ben ik ineens weer de blije eikel die zojuist het licht heeft gezien, en gedraag ik mij overdreven behulpzaam en vriendelijk naar iedereen om mij heen. En die aanstekelijke, kamerbrede smile is niet meer van mijn bek te slaan!

clown acrobaat duo


Maar zodra ik zelf geen inspraak meer heb op de repertoirekeuze, wordt zoiets toch hoogst irritant. Want welk stom deuntje gaat er vandaag weer in mijn kop wonen? De niet aflatende psychologische treiterterreur van 'Miene Vogel is Gevloge' van Beppie Kraft, die we kennen als de wederopstanding van de Zangeres zonder Oorbellen, en 'Hallo Vriendjes en Vriendinnetjes' van een bekende Vlaardingse clown en dito acrobaat - om maar eens een paar foute zijstraten te noemen - drijven mij tot complete waanzin! Soms zie ik het leven gewoon niet meer zitten... Afgelopen weekend ben ik zowaar nog met een kutsmoes door politie en hulpverleners uit de Gamma weggelokt, nadat ik er in verwarde toestand, en met een dik touw in de hand, naar de paskamers had gevraagd.

bouwmarkt politie ggz


En alsof dat nog niet erg genoeg is: er komt altijd een moment dat zo'n plaaggeest weer vanuit mijn hoofd naar buiten wil. Helaas heb ik noch over het waar noch over het wanneer enige controle. Toegegeven: 's zomers op het strand een kerst- of sinterklaasliedje fluiten wordt door de meeste medebadgasten waarschijnlijk nog wel schouderophalend door de vingers gezien. Maar er zijn genoeg situaties of gelegenheden te bedenken, waarbij zo'n ongeleid muzikaal projectiel totaal ongelegen komt. En dat kan soms tot zeer gênante taferelen leiden. Ik doe maar even snel een greep:
- Belangrijke vergadering of sollicitatiegesprek,
- Dramatisch nieuws over een zoveelste terreuraanslag,
- Alcoholcontrole door de politie,
- Toespraak tijdens een uitvaartplechtigheid.

Goh, wat een onverwacht leuk bruggetje: opeens schiet me weer te binnen welk liedje er tijdens de uitvaart van Mieke Telkamp te horen was! Wie het weet, mag het zeggen. Voor de goede inzenders heb ik een leuke attentie klaarliggen.

oorwurm kinderliedje zwembad animatieteam kids fun

Als geboren pestkop maak ik er graag een sport van om iemand anders ook eens zo'n suf liedje in het hoofd te bezorgen. Probeer het zelf ook maar eens. Een nietsvermoedend slachtoffer is zó gevonden. Vooral kennissen die zojuist zijn teruggekeerd van een zonvakantie op Gran Canaria, en daar de godganse dag op een ligbed naast een kinderrijk zwembad vertoefden, zijn een makkelijke prooi. A piece of cake. Geef ze gewoon een klein duwtje in de goede richting, en informeer terloops of er daar voor de kleintjes ook een animatieteam was.

'Chi chi wa, chi chi wa, 
 chi chi waa waa wa!'

Graag gedaan!



Follow
Delen? Ja graag!

zondag 16 juli 2017

Hamaleel doro de wra

- Ene vraaleh dat neminda govelen wil, mara dta wara is greebud -

‘En, heo lnag is ‘t nuo alewer gedelen?’
‘Astanadane madnaag op de kpo af zetenvien jara. Dta wtee ik ngo pecreis, en elk jara asl die betwuse dutam nadret, heb ik hte er wree mijoelik mee.’


‘Nite te gieneten bne ik dan, kotraf tneeg mjin vrowu Anine en tgeen mijn colegla’s, tnege iedeeren egijnelik. Op mjni wrek kna ik me neti mere cornencreten en de netchan zjin ene wrae hel. Ik lgi te weelon in bed of ga sneepdawallan. En dan terft Ainne me mte een agintsg gieczht vroo de sepgeil. Gene pneiak, het zit ngo geod, zget ze dna en tonrot me were mee nraa bde. Mara dan kmeon die snotnape huliebuin wree. Ik lpoo nu zo’n tein jara van de ene zepijeklinner nraa de anerde. Bne ekl jara bilj asl die dga wree voborij is.’

‘Heel dpepar, dat u heir vadanag tcoh gekemon bent om het ana ozne liesrraatus te vellerten. Wnat we znij alalamel hele bineweud, dus daoram varag ik u: wta gedrubee er teon?’
‘Het is einlejgik ngo stdees te vrijkkerischelk vroo werodon. Dus asl ik tussodoner even sitl val, meot je mji dta maar ntei kjwliak nmeen. Mraa vrouoit, ik seetk vna wal. Odmat de dag enra mijn vajdarareg zuo wdreon grieved, wsa ik in de pzuae ngo eevn nraa de kaeppr gweseet. Maar vreder wsa het ene geowne wakderg, nte als aell adenre. En tone om vjfi uru de filut knolk, gnig ik lonepd nara hius, wnat dta deo ik mteseal weennar het neit renegt. En als hte zorems wram is, hfeet Anine tuhis ene isojukd bijrete vroo me kalar satan. Onnkdas de wmrate sattpe ik dsu sevtig doro, wnta ik hda een drots van heir tto gednur en mijn tnog risdelte in mjin mnod.’


‘Mraa u had vreder gnee eknel vogeervool dta er iets zou gnaa geberuen?’
‘Nee, hamealel neit! Dus op ene gevegen memnot leip ik een heok om en oepens, vlomekon uit het neist, sakt er ene eonmre winvaldag op. Ik waadie bjina uit mjin vinschoreng en kon melzef troeneuwarnod oeinverd hoedun droo snle een latpanaranal vtas te gierpjn. Ik shrock me rto, wtee je dat? Mraa gikelkug gnig de wnid al senl weer lgeign en kno ik vozitchriog vedrer lepon. Daar wsa ik geod vnaaf goekemn, dchat ik. Todatt ik lnsga het hius van mjin zesutr lepi. U mote wente dta ze vilkbaj wntoo en atljid enve zawait als ik vuinat mijn wkre vojorbi kmo. Op hte memnot dta ik minj hdna naar haar ostkap, zag ik aan hara vebritserdje gzihcet dat er ites velserkijs mis meots znji!’

‘Mraa wta wsa er dna ana de hnda?’
‘Nuo, in de wepiegelsering van de ruti zga ik het zlef oepnes oko. Mijn hara zat droo de wra!’ ‘Oljengloeifok. Hotor u dta, lasurierats? Mernees hara zta droo de wra! Dat ktom wel evne bnenin zge, pheo! Hrie ben ik ook eevn sitl vna… Ik slte voor dat we hele eenv pereuzan. Heir, nteem u ene slojke wetar.’



‘Ja hamaleel doro de war zat het. En niet zo’n kline bjeete oko.’
‘En het meot uw zutser nulrujatik oko hlee veel pjin gaaden hebebn, om u zo te zein.’
‘Ja, dta kutn u wle seleltn. Watn na dti vorarvol is ze haales nooit mere de odue geewest.’
‘Mjin god. En heo regeerade uw vourw, teon ze u zo zga tomekushin? Ze mtoe oko wle heel erg osteruvur znji geewset, nmee ik ana.’
‘Dta zuo je deknen, mraa draa kno ik gekilkug ngo seln ene sjotke voro seetkn. Anine is hele fiegelijvong en zuo snotpaan een hanartaval kgeirjn asl ik mte zo’n kapesl tuihs dufdre kmoen. In dzedefle staart zat ene digrost, waar ik nog senl een kjammete khoct om hte ter pekkle wree in moedl te kijgern. Dta zuo ons vroo vlee niehargid bedoheen, dhact ik. Het kmatmeje vertptose ik in het ziavjk van mnji haetuspje. En teno ik daanra twahuskim, preedobre ik zo nomaral meijglook te deon. Ik gaf Ainne ene kus, zette me op mjin stelotje odner de lefuil, en pottoe mjin vetoen in een tiletje kuod wetar. Ze brahct me mjin beijtre en we kettseln wat over het wmare weer en de dikesgalje degtinjes.’



‘Uw voruw had dus gene faluw bneul wlek vischerkkrijlek gehiem u mte zich modereeg? Hefet ze er dei dga hemlaael gnee wete van ghead?’
‘Nee. Nolamar gekropsen vterel ik ajtild alels, maar dimatal vedrese ik echt vroo haar leevn. Dus om hara te bresmechen heild ik minj mnod, oko ovre het kemmajte. Mara Ainne zag wta ana me, ze vleode ites en keke me hele donerdrogind aan. Veurolwijke itiunite he?’
‘Veterl mji wta, veuworn hbeben een zdese zinitug wat dta beterft.’

‘En de vloedege dga was ik jiarg. Ik hda nukwaijles glaspeen, mara een kmear vlo vtisie zodgre voor wemkole afilendig. Mjig zsteur, dei mteaesl als ertsee avererirt, kawm datimal asl latatse binnen. Nsaat het tinardeotile paar dworelbanake Wbrai-sekkon, hda ze nog ene ceadau ignapekt. Mjin haar scohot bnija wree omohog tnoe ik dhact te veolen wat eirn zat. Heo kno ze dat nuo deon? En wara ieredeen bostijnd meost ik hte omkapenen. Hte was iadredand ene ketmamje. Mjni hadenn trdlein en ik kon wle droo de grnod zakekn! Nou dwankejel, sletmade ik, vrengad agaanartsed door Anine. En ik mraa peerborn hara peminerde bilk te oktenwijn, tneo oneeps de bel gnig. Sacht, inaemd mte een ceceltubols. Wli jij evne ondepoen? En tnege mnij zsu siste ik: Woraam doe je dta nuo? Je wete tohc heo ze is? Ene praa tenlel leatr strepdomle Annie likjeblek de keamr wree in. Mnji ertsge namhertcrime wred behawaried. Op zoke nara kigellend vroo de contallect had ze in mnij haepujtse hte zemmakkatje gonedven! En in hara vla seldure ze het keled mte gabek en kiffoe en al van tefal.'



'De ancumable wsa gkukelig senl tre platase en al na tewe netchan ovabetrise in het zikeuhenis mcoht ze wednor beovn wenodr wree nara hius.’
‘En alle larseurtias mara dkenen, dta we het ertsge al headdn gahed!’
‘Ja, hte is vrelsjiek. Anine kptane snel were op, mraa hte vuwerroten wsa wge he? Dat hefet ngo jraen guudred’

‘Ik kijrg net ene senitje vna de reige dta we moteen asifluten. Heel hijlertak dkna voro uw bedoenie varahel en hele vele stretke geswent. Vroo alel zeekirhed vraga ik het tto stol ngo mara eenv: is dti wraa grubeed?’
‘Ja, zaawor asl ik hrie zti. Hte is wara gurebed!’