Mijn meest gelezen

Posts tonen met het label ziekenhuis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ziekenhuis. Alle posts tonen

donderdag 16 juli 2020

Een rotschop is ook communicatie

"Ja, met je broer... Wat was dat nou voor een gebakkie waarmee jij vorige week in de stad liep? Heb je in 't Vlietland weer zo'n suf verpleegstertje op de kop getikt? Maar waarom ik je bel: zodra jij vanmiddag uitgewerkt bent in dat gekke ziekenhuis, wil jij dan daar in de apotheek twee van die speciale pleisters halen? Het Kruidvat in de stad verkoopt ze alleen per vijf stuks, maar dát verdom ik. Wat een stelletje laaielichters! En breng die dingen dan meteen even bij ons thuis langs, dan kun je eindelijk onze nieuwe laptop eens aansluiten en installeren. We kunnen nu al drie weken niks meer."

Door eerdere schade en schande wijs geworden, grensde mijn enthousiasme niet aan hondsdolheid. Om mij alsnog over te halen, fluisterde Engeltje geruststellend in mijn oor dat het ditmaal heus wel zou meevallen. Het was slechts een kleine moeite voor mij, toch? Oké, vooruit dan maar. Van nature ben ik een waardeloze 'nee verkoper' en bijna automatisch was ik er ook vandaag weer flink ingestonken. Niet zo verwonderlijk dat de aap op mijn schouder al geniepig begon te grinniken.



Op mijn afdeling had ik als laatste het licht uitgedaan. Bij de balie van de apotheek trok ik 57, nummer 38 was net aan de beurt. Ondertussen keek ik ongedurig naar buiten en zag hoe mijn collega's, die ik zojuist een prettig weekend had gewenst, langzaam aansloten op de file bij de rotonde voor de hoofdingang van het ziekenhuis. De ervaring heeft geleerd dat je dat punt uiterlijk om zes uur voorbij moet zijn. Arriveerde je later, dan was je de sjaak en stond je daar nog wel een stief kwartiertje stationair te draaien.

Maar in de apotheek kwam er opeens schot in de zaak. En toen ik eindelijk aan de beurt was bleken de bewuste pleisters gelukkig nog op voorraad. Voor twee pleisters moest ik 'diep' in de buidel tasten: totaal één euro achtennegentig. "Een tip voor de volgende keer meneer," zei de dame vriendelijk, "van mijn baas mag ik dit eigenlijk niet vertellen, maar wist u niet dat ze bij het Kruidvat ook te koop zijn? Vijf stuks voor twee euro vijftig. Het is maar dat u het weet."

Op de plek des onheils aangekomen begon ik maar meteen. En precies zoals ik verwachtte, bleek alles in de doos nog onaangeroerd. Echter, het in Nijntje-taal meegeleverde proza 'Snel aan de slag in drie simpele stappen' lag al gedienstig voor mij klaar! Was het hen misschien ontgaan dat ik dit werk alweer twintig jaar doe? Kortom, in amper tien minuten was alles geregeld, zonder handleiding. Dus die mocht in het cellofaan blijven en kon terug in de doos.

Aan onnodige stofnesten heb ik een hekel. Daarom wilde ik, als extra service, de lange computerkabels inkorten en wegwerken achter een plint. Door alle haast was ik niet eerst langs huis gereden en had dus geen gereedschap bij me. Ik moest improviseren en vroeg hem daarom een schaar en een klein schroevendraaiertje. De schaar zag ik al op tafel liggen, maar het schroevendraaiertje moest hij boven gaan pakken.
"Nu ik toch naar boven ga", vroeg hij nederig aan haar, "zal ik dan ook alvast jouw legpuzzel mee naar beneden nemen?"
"Wat? Kun je geen klokkijken? Het is pas tien over zeven, ik ga toch altijd om half acht pas puzzelen?"

Opeens klonk vanuit de hal het geklepper van de brievenbus. "Eindelijk, de reclamefolders!" Ik heb al veel gekke dingen meegemaakt, maar nog nooit heb ik iemand zó snel binnenshuis zien rennen. "Ja, vorige week kwam die achterlijke snurker ook al veelste laat. Gelukkig heb ik nu nog precies een kwartier om plaatjes te knippen en te plakken in mijn kadoboekje. Theo kan het daarna meteen meenemen. Maar waarom ligt de schaar trouwens niet op tafel? Ik vond 'm ook al niet op zijn vaste plek in de linker keukenla."

Toen hij even later 'met toestemming' weer de trap op liep, riep ze hem halverwege weer terug. "Kom eens snel kijken, ik lees hier dat de verbouwing van de IKEA klaar is."
Gangmaker voor bruiloften en partijen zullen die twee nooit worden. Maar desondanks zag ik twee breed glimlachende gezichten met pretoogjes: "Geweldig! Dat komt mooi uit: we kunnen voortaan weer elke week gaan ontbijten voor één euro."
"Maar vertel eens, hoe lang rijden jullie er eigenlijk over, helemaal naar Barendrecht, een half uur of drie kwartier?"
"We vertrekken altijd om half tien en rijden er dan precies 31 minuten over."

Onmiddellijk na het achtuurjournaal werd de tv weer uitgezet. De tweede helft van het edele puzzelspel stond immers op 't punt van beginnen!
"Jij hebt in het ziekenhuis vast al genoeg koffie gedronken, of moet je nu persé nog een bakkie?"
"Eerlijk gezegd dacht ik dat je 't nooit zou vragen, maar heel graag!"
"Hoe drink jij de koffie ook alweer?"
"Liefst uit een mok, maar een kopje mag ook."
"Ja duh... wil je er suiker in of een zoetje?"
"Als het mag, twee zoetjes graag."
"Wat, twee?"

Het duurde even voordat haar wenkbrauwen weer in de oorspronkelijke stand waren afgedaald.
"Nou, wíj nemen er altijd maar één zoetje in. Twee is nergens voor nodig!"
Toen er uiteindelijk alleen voor mij koffie werd neergezet keek ik op mijn beurt verbaasd op: "Sinds wanneer hebben jullie de koffie afgezworen?"
"Dat hebben we ook niet. Maar toen we van het Kruidvat terugkwamen, hebben we onderweg bij Albert Heijn al gratis koffie gedronken. Dat scheelt ook weer afwas."

"Even iets anders. Ik weet niet hoe lang je nog werk hebt aan die kabels, maar het is al bijna half tien en wij gaan zo naar bed. En op maandagavond bekijken we altijd de dvd's van dat mooie kostuumdrama. Dus kom het dinsdagavond dan maar afmaken. Wat? Nee, morgen kan absoluut niet. Ben je nu alweer vergeten dat we elke zaterdagmorgen om acht uur naar de camping gaan? En nog iets: wanneer jij zo bij de voordeur je schoenen weer aantrekt, vergeet dan vooral niet mijn boekje mee te nemen. Ik heb het al op de deurmat klaar gelegd. En stop het dan zondagmiddag maar weer in onze brievenbus. Maar let op, als je er eenmaal een blaadje hebt uitgescheurd, ben je wel verplicht om dát kado voor mijn verjaardag te kopen. Anders wordt het een puinhoop en ben ik het overzicht kwijt!"



Het zal niemand verbazen dat ik op weg naar huis fantaseerde over een passender kado dan de kneuterige prullaria die vermoedelijk in het boekje stonden. Uitgehongerd thuisgekomen trof ik gelukkig nog een kliekje stamppot in de koelkast. De honger was weliswaar gestild, maar de woede was nog lang niet bekoeld. Hoog tijd voor iets sterkers dan slappe koffie.

Toen de bodem van de tweede fles Merlot in zicht kwam, was plotseling Engeltje er weer. 'Laat 't varen. Maak jezelf toch niet onnodig boos, zo zijn ze nu eenmaal. En ze hebben met jou ook altijd het beste voor gehad', sprak ze vergoeilijkend. 'Dat kan me allemaal geen moer schelen; een volgende keer bekijken ze het maar. Ik trap er nooit meer in. Wat ben ik toch weer onnozel geweest door naar jou te luisteren!' snauwde ik terug. Maar mijn lieve kleine Engeltje kon er natuurlijk ook niets aan doen.

Het is alweer een paar jaar geleden dat dit mij is overkomen. Daarom kan ik me niet precies meer herinneren wat ik met het boekje heb gedaan. Misschien wel ritueel verbrand? Heel vaag staat het me bij dat ik het 'per ongeluk' ben kwijt geraakt. Eén ding weet ik nog wel heel zeker: ik heb die klote aap een verschrikkelijke rotschop verkocht!


zondag 16 juli 2017

Hamaleel doro de wra

- Ene vraaleh dat neminda govelen wil, mara dta wara is greebud -

‘En, heo lnag is ‘t nuo alewer gedelen?’
‘Astanadane madnaag op de kpo af zetenvien jara. Dta wtee ik ngo pecreis, en elk jara asl die betwuse dutam nadret, heb ik hte er wree mijoelik mee.’


‘Nite te gieneten bne ik dan, kotraf tneeg mjin vrowu Anine en tgeen mijn colegla’s, tnege iedeeren egijnelik. Op mjni wrek kna ik me neti mere cornencreten en de netchan zjin ene wrae hel. Ik lgi te weelon in bed of ga sneepdawallan. En dan terft Ainne me mte een agintsg gieczht vroo de sepgeil. Gene pneiak, het zit ngo geod, zget ze dna en tonrot me were mee nraa bde. Mara dan kmeon die snotnape huliebuin wree. Ik lpoo nu zo’n tein jara van de ene zepijeklinner nraa de anerde. Bne ekl jara bilj asl die dga wree voborij is.’

‘Heel dpepar, dat u heir vadanag tcoh gekemon bent om het ana ozne liesrraatus te vellerten. Wnat we znij alalamel hele bineweud, dus daoram varag ik u: wta gedrubee er teon?’
‘Het is einlejgik ngo stdees te vrijkkerischelk vroo werodon. Dus asl ik tussodoner even sitl val, meot je mji dta maar ntei kjwliak nmeen. Mraa vrouoit, ik seetk vna wal. Odmat de dag enra mijn vajdarareg zuo wdreon grieved, wsa ik in de pzuae ngo eevn nraa de kaeppr gweseet. Maar vreder wsa het ene geowne wakderg, nte als aell adenre. En tone om vjfi uru de filut knolk, gnig ik lonepd nara hius, wnat dta deo ik mteseal weennar het neit renegt. En als hte zorems wram is, hfeet Anine tuhis ene isojukd bijrete vroo me kalar satan. Onnkdas de wmrate sattpe ik dsu sevtig doro, wnta ik hda een drots van heir tto gednur en mijn tnog risdelte in mjin mnod.’


‘Mraa u had vreder gnee eknel vogeervool dta er iets zou gnaa geberuen?’
‘Nee, hamealel neit! Dus op ene gevegen memnot leip ik een heok om en oepens, vlomekon uit het neist, sakt er ene eonmre winvaldag op. Ik waadie bjina uit mjin vinschoreng en kon melzef troeneuwarnod oeinverd hoedun droo snle een latpanaranal vtas te gierpjn. Ik shrock me rto, wtee je dat? Mraa gikelkug gnig de wnid al senl weer lgeign en kno ik vozitchriog vedrer lepon. Daar wsa ik geod vnaaf goekemn, dchat ik. Todatt ik lnsga het hius van mjin zesutr lepi. U mote wente dta ze vilkbaj wntoo en atljid enve zawait als ik vuinat mijn wkre vojorbi kmo. Op hte memnot dta ik minj hdna naar haar ostkap, zag ik aan hara vebritserdje gzihcet dat er ites velserkijs mis meots znji!’

‘Mraa wta wsa er dna ana de hnda?’
‘Nuo, in de wepiegelsering van de ruti zga ik het zlef oepnes oko. Mijn hara zat droo de wra!’ ‘Oljengloeifok. Hotor u dta, lasurierats? Mernees hara zta droo de wra! Dat ktom wel evne bnenin zge, pheo! Hrie ben ik ook eevn sitl vna… Ik slte voor dat we hele eenv pereuzan. Heir, nteem u ene slojke wetar.’



‘Ja hamaleel doro de war zat het. En niet zo’n kline bjeete oko.’
‘En het meot uw zutser nulrujatik oko hlee veel pjin gaaden hebebn, om u zo te zein.’
‘Ja, dta kutn u wle seleltn. Watn na dti vorarvol is ze haales nooit mere de odue geewest.’
‘Mjin god. En heo regeerade uw vourw, teon ze u zo zga tomekushin? Ze mtoe oko wle heel erg osteruvur znji geewset, nmee ik ana.’
‘Dta zuo je deknen, mraa draa kno ik gekilkug ngo seln ene sjotke voro seetkn. Anine is hele fiegelijvong en zuo snotpaan een hanartaval kgeirjn asl ik mte zo’n kapesl tuihs dufdre kmoen. In dzedefle staart zat ene digrost, waar ik nog senl een kjammete khoct om hte ter pekkle wree in moedl te kijgern. Dta zuo ons vroo vlee niehargid bedoheen, dhact ik. Het kmatmeje vertptose ik in het ziavjk van mnji haetuspje. En teno ik daanra twahuskim, preedobre ik zo nomaral meijglook te deon. Ik gaf Ainne ene kus, zette me op mjin stelotje odner de lefuil, en pottoe mjin vetoen in een tiletje kuod wetar. Ze brahct me mjin beijtre en we kettseln wat over het wmare weer en de dikesgalje degtinjes.’



‘Uw voruw had dus gene faluw bneul wlek vischerkkrijlek gehiem u mte zich modereeg? Hefet ze er dei dga hemlaael gnee wete van ghead?’
‘Nee. Nolamar gekropsen vterel ik ajtild alels, maar dimatal vedrese ik echt vroo haar leevn. Dus om hara te bresmechen heild ik minj mnod, oko ovre het kemmajte. Mara Ainne zag wta ana me, ze vleode ites en keke me hele donerdrogind aan. Veurolwijke itiunite he?’
‘Veterl mji wta, veuworn hbeben een zdese zinitug wat dta beterft.’

‘En de vloedege dga was ik jiarg. Ik hda nukwaijles glaspeen, mara een kmear vlo vtisie zodgre voor wemkole afilendig. Mjig zsteur, dei mteaesl als ertsee avererirt, kawm datimal asl latatse binnen. Nsaat het tinardeotile paar dworelbanake Wbrai-sekkon, hda ze nog ene ceadau ignapekt. Mjin haar scohot bnija wree omohog tnoe ik dhact te veolen wat eirn zat. Heo kno ze dat nuo deon? En wara ieredeen bostijnd meost ik hte omkapenen. Hte was iadredand ene ketmamje. Mjni hadenn trdlein en ik kon wle droo de grnod zakekn! Nou dwankejel, sletmade ik, vrengad agaanartsed door Anine. En ik mraa peerborn hara peminerde bilk te oktenwijn, tneo oneeps de bel gnig. Sacht, inaemd mte een ceceltubols. Wli jij evne ondepoen? En tnege mnij zsu siste ik: Woraam doe je dta nuo? Je wete tohc heo ze is? Ene praa tenlel leatr strepdomle Annie likjeblek de keamr wree in. Mnji ertsge namhertcrime wred behawaried. Op zoke nara kigellend vroo de contallect had ze in mnij haepujtse hte zemmakkatje gonedven! En in hara vla seldure ze het keled mte gabek en kiffoe en al van tefal.'



'De ancumable wsa gkukelig senl tre platase en al na tewe netchan ovabetrise in het zikeuhenis mcoht ze wednor beovn wenodr wree nara hius.’
‘En alle larseurtias mara dkenen, dta we het ertsge al headdn gahed!’
‘Ja, hte is vrelsjiek. Anine kptane snel were op, mraa hte vuwerroten wsa wge he? Dat hefet ngo jraen guudred’

‘Ik kijrg net ene senitje vna de reige dta we moteen asifluten. Heel hijlertak dkna voro uw bedoenie varahel en hele vele stretke geswent. Vroo alel zeekirhed vraga ik het tto stol ngo mara eenv: is dti wraa grubeed?’
‘Ja, zaawor asl ik hrie zti. Hte is wara gurebed!’

zaterdag 22 april 2017

Burgie en de blindganger

- een Vlaardings oorlogsverhaal -

In de buurt van de Krabbeplas, op een steenworp van tankstation Aalkeet aan de A20, ligt een grote betonnen sokkel naast het fietspad. Het gevaarte is verweerd en begroeid met mos. De meeste recreanten zullen er achteloos voorbij rijden: ongetwijfeld weer een zoveelste planologische blunder van een vorig gemeentebestuur. En nog geen twee kilometer verderop, in de Indische Buurt, staat een huis met nieuw metselwerk in de voorgevel. Volgens de huidige bewoners komt dit, doordat er ooit een gevelkacheltje op die plek zat.
Maar niet alles is wat het lijkt. Voor het hoe en waarom moeten we terug in de tijd.

beton, sokkel, fundering, luchtafweer, duits, Flak, wo2
Het was oorlog. En in de meidagen van 1940 sneuvelde een jonge Vlaardingse militair, die in het dagelijks leven als boerenknecht bij melkveehouder Bram van der Burg werkzaam was. Hij kwam om bij de verdediging van de Maasbruggen in Rotterdam. Na het laffe Duitse bombardement zou die stad nog dagenlang branden en ook hier waren de enorme rookkolom en nachtelijke gloed duidelijk te zien. De afschuw en woede waren van de gezichten op straat af te lezen.

Een kleine stad is soms net een dorp, dus ook in Vlaardingen gonsde het van de geruchten en berichten. Teun Jansen, die al eerder vergeefs bij Bram had gesolliciteerd, hoorde via via over de omgekomen knecht en trok wederom de stoute schoenen aan. De aanleiding was allesbehalve prettig, maar dit was zijn grote droom. Hij zag zichzelf al gaan: amper veertien, en dan al met een grote platte boerenwagen en trekpaarden over straat!

Zijn oudere broer Jo was boerenknecht in de Zuidbuurt, en had hem de kunst van het paarden mennen al vaak gedemonstreerd. Bram hoefde daarom maar weinig uit te leggen: Teun had vrijwel meteen alle teugels strak in handen en werd aangenomen. Voortaan was hij de vaste berijder van het span en de nieuwe Manus-van-alles-van-Bram. De afgelegen landerijen van de stadsboerderij lagen in de Aalkeet-Buitenpolder en eindigden ver voorbij het eind van de oude Groeneweg. Paard en wagen waren voor Bram onmisbaar, en sinds die dag was hij dat ook.

Toen een paar dagen na de capitulatie de eerste Duitsers in Vlaardingen arriveerden, was de rook boven Rotterdam zo goed als verdwenen. De brandende olietanks bij de Shell aan de overkant waren inmiddels geblust en aan de Kortedijk werd het puin geruimd. Goddank geen slachtoffers daar. Ook leek dat handjevol Duitsers wel mee te vallen, ze gedroegen zich correct: ze waren als vrienden gekomen. Tenminste, dat had de nieuwe Ortskommandant gezegd. En die domme oorlog zou toch over een paar maanden wel weer voorbij zijn? Zo goed en zo kwaad als dat ging, probeerde iedereen de draad van het dagelijks leven weer op te pakken.

Boer Bram was van het type ruwe bolster, blanke pit. Teun kon daar prima mee overweg en had al snel zijn draai gevonden. Vooral in die eerste zonovergoten zomermaanden, genoot hij met volle teugen van het buitenleven. Het was weliswaar keihard werken, maar hij hield van aanpakken. Leergierig en handig als ie was, deed hij samen met Bram alles wat er in de veehouderij moest gebeuren. Het melken van de koeien hoorde daar vanzelfsprekend ook bij. Enkel in de winter werd op stal gemolken; vroeg in het voorjaar waren de dames alweer joelend de wei ingerend.

voorjaar koeien weiland

Op klompen en gehuld in blauw ketelpak, na springen over slootjes en klimmen over hekken, half onder een koe gekropen op een wiebelig houten krukje. Wel goed oppassen als de koe onrustig was: een schop tegen de schenen deed gemeen pijn. En beurtelings trekken aan de spenen, had Bram hem geleerd, tot de lauwwarme melk kletterend in de emmer spoot. Dus zo deed hij dat, zolang de voorraad strekte. Koe na koe.

Bijna dagelijks vlogen grote aantallen geallieerde toestellen over, voor bombardementen op de fabrieken in het Duitse Ruhrgebied. En telkens wanneer er hoog in de blauwe lucht weer zo'n zwerm brommende stipjes verscheen, was dat het geijkte moment om even de stramme benen te strekken. Bij gebrek aan een vlag kwam vaste prik Brams grote vieze zakdoek tevoorschijn: "Zet 'm op jongens, laat de Moffen maar een poepie ruiken!" en hij zwaaide ermee naar de vliegtuigen.

Bram had ruim zestig prachtige, zwartbonte koeien. Fries Hollandse. Stuk voor stuk gaven ze heel veel melk: zowat dagelijks ging de wagen met zo'n twintig volle bussen naar de Hollandia melkfabriek in de stad. Er bleef nog genoeg over en Brams vrouw zag daar wel handel in.
Ook thuis in de Borneostraat kwam men niks tekort, ze waren met een groot gezin en iedereen droeg zijn steentje bij. Regelmatig bracht Teun melk, boter of kaas mee naar huis en Jo kon vaak groenten en aardappelen ritselen. En broer Jan, die klusjes deed bij het slachthuis, was zowaar een keer met een varken thuisgekomen. Helaas was moeder allergisch en hield de deur stijf dicht, zou lolbroer Wim jaren later beweren, en daarom is Jan er na de bevrijding maar mee getrouwd.

hollandia melkfabriek melkbussen uitladen


Maar die bevrijding, waarop iedereen hoopte, was nog heel ver weg. In rap tempo werden steeds meer Duitse eenheden in Vlaardingen gelegerd: Wehrmacht-soldaten in de oude school aan de Groen van Prinstererstraat, Schnellboten van de Kriegsmarine aan de kade in de Wilhelminahaven, en de Luftwaffe in een woning vlakbij de boerderij nota bene. En dat niet alleen: spertijd werd ingevoerd; na zonsondergang en vóór zonsopgang was het verboden op straat te gaan, en al eerder moest iedereen bij donker alle ramen verduisteren. Jonge mannen moesten zich melden om te gaan werken in Duitsland en Joodse mensen werden opgepakt. Velen van hen doken onder. De harde realiteit van de bezetting en onderdrukking drong nu snel tot iedereen door en de sfeer werd almaar grimmiger. En na een onbedoeld Engels bombardement op de Afrol en de Hoogstraat, waarbij meerdere dodelijke slachtoffers vielen, was de verschrikking van de oorlog ineens akelig dichtbij.

De manschappen van de Luftwaffe hoorden bij een batterij luchtafweergeschut met zoeklichten: een zogenaamde Flak-stelling, ter ondersteuning van nog veel zwaarder Duits geschut rond Rotterdam. Het zou dicht bij het land van Bram worden geplaatst: helemaal achterin bij de Eendenkooi, langs de nieuwe Rijksstraatweg 20A naar Maassluis. Tegen pottenkijkers was daar al een hoge schutting neergezet. Bij het verkennen van de buurt rond de Nieuwelaan, viel hun oog op de wagen waarmee Teun dagelijks voorbij reed, en een snauwerige Luftwaffe-officier hield hem staande om deze per direct te vorderen.

Bram was woest: "Wat, gevorderd? Zijn die Moffen nou helemaal gek geworden? Wacht maar eens even..." Hij was niet bang uitgevallen en beende op hoge poten -en gewapend met een groot stuk kaas in zijn zakdoek geknoopt- naar de Kethelweg. De Ortskommandant stond bekend als onverbiddelijk, maar ging na ontvangst van het cadeau alsnog overstag. Dus gelukkig mochten ze 't span zelf ook blijven gebruiken. En bovendien kregen hij en Teun toestemming om tijdens Spertijd buiten te zijn. Uit handen van Hauptmann S.A. von der Kraft ontvingen ze een Ausweis met een speciale aantekening 'wegen die Arbeit für die Wehrmacht', compleet gestempeld met adelaar en hakenkruis. Waar die echte Hollandse boerenkaas al niet goed voor is!

ortskommandant openingstijden streekmuseum


Telkens als er beschietingen waren geweest, was er de volgende morgen weer werk aan de winkel. Voor dag en dauw moesten de paarden van stal en op de werf voor de wagen gespannen: een lastige klus in het pikkedonker. Vaak helemaal in z'n uppie, want zó vroeg sliep Bram meestal nog. Precies om vijf uur waren de soldaten present en gingen ze op weg. Bij het kamp moesten lege granaathulzen worden ingeladen en vervolgens naar een depot bij het station worden gebracht. En vanaf daar ging het spul per trein terug naar de wapenfabrieken in Duitsland, voor hergebruik.

Er reden steevast twee man mee op de bok. Het bleken beiden vriendelijke Oostenrijkers, Clemens en August uit Tirol, die tot vreugde van Teun helemaal niets van Hitler en de oorlog moesten hebben. Het contact was onverwacht aangenaam; ze waren erg spraakzaam en grappig, en deelden ook weleens een sigaretje uit. En geen rotzooi zoals Amateurtjes of bukshag, maar echte Atikah Auslese! Soms toverde Clemens zelfs een platvinkje Schnapps uit zijn binnenzak. Hij had een oom in Texas en sprak een klein mondje Sauerkraut-Engels. Zijn motto was 'It must be five o'clock somewhere around the world’.
Niet vreemd dat er regelmatig werd gezongen of gejodeld onderweg. Helemaal geweldig vond Teun dat. Hij hield zelf ook enorm van zingen en deed dapper mee. Later zou ie lid worden van mannenkoor Orpheus, nam hij zich voor.

luftwaffe flak maasland vlaardingen aalkeet
Het kamp bleek inderdaad een behoorlijk verdedigingswerk te zijn. Minstens drie draaibare afweerkanonnen op een betonnen sokkel met eromheen gigantische zoeklichten en snelvuurgeschut op pootjes achter een bekisting met zandzakken. Een stuk verderop was zowaar een lange en brede tankgracht gegraven, die liep vanuit de Broekpolder in de richting van de Poeldijkse Wetering. Op een klein drassig veldje, achter een grote houten barak en een half ondergrondse voorraadbunker, lagen de lege hulzen verzameld.

Hij was al gewaarschuwd: behalve de beide Oostenrijkers stak niemand een vinger uit bij het inladen. Een loodzware rotklus, 't was daar één en al modder, en die krengen waren lukraak neergesodemieterd en wogen wel een paar kilo per stuk. De woordenschat van de kleine schreeuwer met officierspet en haastige ogen was beperkt: veel meer dan 'Schnell, weitermachen!' kwam er niet uit. Nee, melkbussen sjouwen was dankbaarder werk.
De andere fanaten waren vaak in juichstemming en druk met een scorebord, waarop trots werd genoteerd welk geallieerd vliegtuig ze hadden getroffen, en waar die arme drommels vermoedelijk waren neergestort. Teun beet op zijn lippen; wat kon je er tegen beginnen? 'Beteiligt an den Abschussen', vuile rotmoffen waren het!

abschuss bord luftwaffe wellington blenheim flak streekmuseum


De jaren gingen voorbij en een tijd van grote schaarste brak aan. Zo ook in Vlaardingen. Alle levensmiddelen waren op de bon en in de winkels was nauwelijks nog iets verkrijgbaar. Had je eindelijk een keer geluk, dan had je meteen weer pech. Even verderop werd het meeste alweer afgepakt bij de controleposten in de stad.
Zo kwamen er geregeld meer buurtklantjes aan de deur, voor groente en zuivel. Betalen mocht, maar liefst ruilen voor iets waar ze zelf gebrek aan hadden. Schuin aan de overkant woonden Stuka's, waar tot ergernis van de buurt steeds vaker Duitsers kwamen aanwippen. En moeder wilde geen gedoe, "Zo'n smerige moffenhoer zou ons nog verraden voor een halve reep chocola!" Daarom moest men voortaan achterom, via de steeg naar de keukendeur. 's Avonds in het schemerdonker, stonden daar op 't laatst gewoon mensen braaf op hun beurt te wachten.
Het werd trouwens steeds gekker. Onlangs waren van een boer aan de Holyweg al een schaap en kalfjes gestolen. En in de singel zag je ook al geen eenden meer. Voor alle zekerheid zat er dus een stevig slot op het kippen- en konijnenhok. Vooral als de feestdagen voor de deur stonden, wist je maar nooit.

Teun had nauwelijks last van controleposten. Hij had er namelijk een goede gewoonte van gemaakt om, in gezelschap van Clemens en August, te zwaaien naar elk Duits uniform dat ze onderweg passeerden. Jo vond dat ronduit schandalig en had plaatsvervangende schaamte: "Je bent toch verdomme geen landverrader?" Hij maakte veel liever met twee opgestoken vingers het V-teken naar die lui.
In ieder geval had de truc wél succes: zelfs wanneer Teun tijdens Spertijd met uitpuilende tassen en een volle krat achterop huiswaarts fietste, ging de slagboom al omhoog zodra hij herkend werd. Maar bij de akelige landwachters van de NSB werkte dat helaas niet. In die gevallen deed zijn Ausweis wonderen.

stempel hakenkruis adelaar ausweis


Als hij ’s avonds thuiskwam, zat de rest meestal al aan tafel. Vast onderwerp van gesprek waren de gebeurtenissen van de dag: Mannen opgepakt voor de Arbeitseinsatz, Joodse onderduikers verraden en met onbekende bestemming afgevoerd, iemand van het verzet door de Duitsers doodgeschoten...
"Maar wie weet er nog wat leuks?" Altijd als het gezin zo compleet bij elkaar zat, was vader Jansen wel in voor een grap of anekdote. En dat hielp, om de moed erin te houden. Nou, als een Mof zou vragen 'Wo ist der Bahnhof?' dan moest je gewoon de andere kant op wijzen. Een vriend van Jan had dat een keer zo gedaan, en die Mof trapte er nog in ook! En gelachen dat ze hadden. Maar Teun had die grap onderhand al tig keer gehoord en begon dan uitgebreid te gapen. Dus na de afwas mochten ze nog hooguit één potje klaverjassen met vader, daarna wassen, pyjama aan en naar boven.

Net als op die ene avond in september. Voor de gezelligheid lagen Jan en Teun ditmaal samen op één kamer, omdat de rest een nachtje uit logeren was. Doodmoe waren ze, maar toch lukte het niet om in slaap te komen. Het was broeierig warm in huis en ze lagen te woelen in bed. Dan nog maar een waxientje aan en Dick Bos lezen. Ook boeken waren schaars; alles wat brandbaar was ging de kachel in. Maar dit was een gelukkie, want in ruil voor wat melk had moeder nog een stapeltje bemachtigd. Zo konden de jongens weer even vooruit. Maar van echt lezen kwam niks, met oren op stokjes lagen ze te bladeren.


En toen: ja, toen hoorden ze iets. Aanzwellend gebrom in de verte, en bijna automatisch begonnen de sirenes te loeien. Ze zaten gelijk weer rechtop in bed en Jan blies snel het vlammetje weer uit. "De Tommies, ze komen vanaf de andere kant, hoor maar… Adolf heeft alweer flink op zijn donder gekregen", fluisterde hij. "Kom mee, we gaan kijken." Het was ze streng verboden om 's nachts op zolder te komen, want daar was het niet verduisterd. En sommige mannen van de LBD, de luchtbeschermingsdienst, waren niet makkelijk. Je had zó een fikse boete aan je broek. Maar de jeugdige nieuwsgierigheid won het toch.

Terwijl ze zachtjes naar boven slopen, hoorden ze moeder in de keuken hard met iemand praten. "Vast weer dat dove mens van Zwaneveld voor snijbonen, komt dat even mooi uit", dachten ze allebei hardop, want die bleef altijd heel lang plakken, dus moeders was nog wel even afgeleid. Teun klom op een kruk en zwaaide het raam open, om beter te kunnen zien. Zoeklichten trokken baantjes in de lucht, om zo een vliegtuig in de felle lichtstraal te kunnen vangen, wat al snel gebeurde. Het geschut begon te knallen en spuugde stralen lichtspoormunitie door de lucht. "Spitfires" riep Teun, "en een Lancaster", vulde Jan aan. "Nee Jan, dat is een Mitchell" baste de stem van vader. "Een Amerikaans toestel, maar tóch een van de Engelsen." Betrapt keken ze achterom, maar vader knipoogde en sloeg zijn armen om hen heen. Hij had ook de sirenes gehoord en de trap naar zolder horen kraken, en kende zijn pappenheimers wel.

Boven hun hoofd waren het kat-en-muis-spelletje en de lichtshow begonnen. Met ingehouden adem keken ze naar de lucht. De Spitfires, wel een stuk of drie, waren snel en wendbaar, en doken omlaag naar de Flak-stelling om de zoeklichten te raken. De boordmitrailleurs in de vleugels spogen vuur. Ondertussen probeerde de piloot van de Mitchell uit het felle licht en de regen van ontploffende Flak-granaten weg te komen en draaide terug, hun kant op. "Die vliegt laag, zou hij geraakt zijn?" Vader had het nog niet gezegd of de grote kist vloog met bulderend geraas over. Ze hadden domweg de neiging te bukken en je kon de Tommies erin zien zitten; zó laag vloog ie. Het toestel maakte een draai over de stad, maar vloog terug toen aan de overkant van de Maas ook zoeklichten aanfloepten. Net toen ze voor de tweede maal wilden bukken, gebeurde het.

mitchell B25 bomber ww2 bommenwerper


Dwars door de herrie van het vliegtuig heen, voelden ze kort achter elkaar twee zware dreunen. Het huis schudde ervan. De eerste dreun kwam uit de slaapkamer met geraas en glasgerinkel. En de tweede, die nog zwaarder was, kwam van buiten, gevolgd door een hoosbui van drie seconden. Zo klonk het tenminste. Vanaf de zoldertrap steeg een stofwolk op en het begon te stinken. "Wegwezen", riep vader en sleurde de jongens mee naar beneden. De kalk van het plafond lag overal op de vloer. Hun slaapkamerdeur was dicht, en bleef dicht, want zelfs vader durfde niet te kijken. "Naar beneden, het huis uit!"
Buiten troffen ze moeder met een gillende mevrouw Zwaneveld achter een muurtje in de brandgang. Bevend van schrik stonden ze op hun benen. Door de hele straat gingen deuren en ramen open. Wat was er in godsnaam aan de hand?

De LBD'er, die ditmaal toevallig zijn avondronde door de Indische Buurt liep, was in een oogwenk ter plaatse. Met zijn knijpkat scheen hij in de rondte... Er waren grote plassen op straat en op het gras lagen vissen te spartelen. Vader liep voorzichtig met hem mee rond het huis. Het pad lag bezaaid met glasscherven en kapotte bakstenen, en boven de voordeur zat een behoorlijk gat in de gevel. Er kwam een naar olie stinkende rookpluim uit, maar gelukkig zagen ze geen vuur. De man stelde samen met een toegesnelde collega vast dat dit een blindganger was; een granaat van het luchtafweergeschut, die (nog) niet geëxplodeerd was. Maar dat kon misschien elk moment alsnog gebeuren. De andere granaat was wél ontploft, midden in de vijver van de Surinamesingel.

Die nacht mochten ze het huis niet meer binnen. Men zou zo snel mogelijk de Duitsers waarschuwen om het enge ding onschadelijk te maken. Vader zou in de buurt blijven. De rest moest proberen ergens anders onderdak te vinden voor de nacht. Dat gold ook voor de naaste buren. Mevrouw Zwaneveld was weer enigszins gekalmeerd en nam moeder en Jan mee. Ver weg klonk nog zacht het geluid van de vliegtuigen, maar de kanonnen waren weer stil. Teun moest de volgende morgen weer heel vroeg op pad, en ging maar alvast op zijn brikkie naar de boerderij. Ditmaal in pyjama, met z'n klompen in een emmer aan 't stuur.

Onderweg schoot hem een goede slaapplek te binnen: achter in de stal, tussen het hooi. Maar toen hij zijn fiets op de werf zette, zag hij tot zijn verbazing dat er al licht brandde in de stal. Uitgerekend achterin was Bram bezig een koe in bedwang te houden. "Je komt als geroepen; Marijke is aan 't kalven. Pak jij eens snel de touwen en stroop je mouwen op." Opgeschrikt door de herrie van de vliegtuigen en het geschut, was hij voor alle zekerheid nog een keer in de stal gaan kijken en trof de koe in barensnood. "Wat ben jij trouwens vroeg en wat een raar ketelpak heb je aan, is er wat gebeurd?"

De vliezen braken, want plotseling begon het vruchtwater te stromen en de koe begon te loeien. De voorpoten kwamen al een klein stukje naar buiten. Net genoeg om het touw aan vast te maken. Terwijl Bram met al zijn gewicht tegen de koe duwde, begon Teun langzaam aan de touwen te trekken. Dat viel niet mee: het kalf zat na twee uur duwen en trekken nog muurvast en bij elke perswee loeide de koe nog klaaglijker. Toen ze even later wat kalmer en stiller werd, kon hij eindelijk vertellen wat er allemaal gebeurd was. Bram reageerde laconiek: "Ik mag wel van geluk spreken. Voor 't zelfde geld had ik hier vannacht alleen staan tobben. Vooruit Marijke, nog een klein stukkie."

Nogmaals duwde Bram tegen buik van de koe. Het kalf gleed onverwacht vlot naar buiten en Teun viel bijna achterover. Bijna, want hij kon het kalf nog net opvangen, en legde het daarna zachtjes op de grond. Instinctief begon de koe het gelijk schoon te likken. "Ziezo meid, gefeliciteerd met de kleine. En jij kerel, ook goed gedaan. Als ik jou toch niet had... Ga je maar even opfrissen in de bijkeuken en trek dat groene ketelpak van mij maar aan. Maar daarna snel de paarden naar buiten, want over een half uur staan jouw jodelende vrienden alweer voor de deur."
Het ging met vallen en trillend weer opstaan, maar al gauw bleef het kalfje overeind en vond meteen de uiers van de moederkoe. Bram zocht een potlood, pakte zijn beduimelde boerenboekje, keek op zijn horloge en staarde even voor zich uit. Toen snoot hij uitgebreid zijn neus en schreef: '21-sept-1944, 4:25 uur, vaars, Teuntje'.

kalf pasgeboren


Zoals gebruikelijk waren ze stipt op tijd. Maar ditmaal had hij geen vrolijke passagiers aan boord: August vertelde dat er die nacht gewonden en zelfs doden waren gevallen. Maar Teun was doodmoe en ook niet bijster spraakzaam. Hij was meer bezorgd of  't huis nog wel overeind zou staan. Het zou een stille tocht worden.
Toen ze bij de ingang van het kamp aankwamen, was het al bijna licht geworden. Er stond ditmaal een schildwacht met het geweer in de aanslag. Ze moesten daar blijven staan en wachten op nadere orders. Achter de schutting klonk gejammer en er werd geschreeuwd. Aan de stem te horen, behoorde het Führer-achtige officiertje waaraan hij zo'n bloedhekel had, helaas niet tot de slachtoffers. Na een kwartier was August het wachten beu en ging om opheldering vragen. In een mum van tijd was hij terug: vandaag was het transport afgelast, ze mochten daar weg. 'Mooi zo' dacht Teun, 'een geluk bij een ongeluk: geen gesjouw vandaag' en trok aan de teugels om de paarden te laten omkeren.

Vanuit de stad naderde een grote stofwolk over de Groeneweg. Als een idioot stoof een motorfiets gevolgd door twee grote witte vrachtwagens richting het kamp. Hij stuurde de paarden voorzichtig aan de kant en zag toen aan de rode kruizen dat het ambulancewagens moesten zijn. "Du hast Recht, es gibt heute sieben schwer verletzt und drei Tote," sprak August, "verdammter Krieg."
Zwijgend gingen ze weer verder. Maar een klein stukje verderop stopte Teun abrupt de wagen, sprong van de bok en holde het weiland in. "Was ist los?" August ging er achteraan en trof hem met betraande ogen bij een koe, die levenloos in de wei lag. Het arme beest was die nacht ook door kogels geraakt en doodgebloed. Gisteren had hij haar nog gemolken, en ze hield zich altijd zo rustig. "Verdomde rotoorlog!"

Diezelfde morgen, toen de blindganger was afgevoerd en onschadelijk gemaakt, bleek - afgezien van het gat in de muur - de schade in huis nogal mee te vallen. Een paar andere huizen in het rijtje hadden ook schade aan de voorgevel, maar dat kwam door scherven en mocht geen naam hebben. Met specie en stenen van Bram, witkalk van Glansdorp, en vereende krachten van familie en buren, was alles een paar dagen later weer keurig gerepareerd. Voortaan kon je precies aan het metselwerk zien, waar de granaat door de muur was gegaan.

borneostraat gat metselwerk reparatie vlaardingen

De ellende van de oorlog zou daarna nog ruim een half jaar voortduren. Ook in en rond Vlaardingen gebeurde in die laatste maanden nog van alles. Op het terrein van de Sunlight Zeepfabriek werd een lanceerinstallatie voor V1's geplaatst: raketten waarmee de Duitsers doelen in Engeland bestookten. Daarbij vielen talloze onschuldige burgerslachtoffers. Al snel besloten de Engelsen daar resoluut een eind aan te maken en op 23 maart 1945 volgde een bombardement op de installatie, waarbij ook de fabriek zeer zwaar werd beschadigd. Daags erna had Teun, zoals later bleek, zijn laatste rit met lege granaathulzen.

Eind april zag men amper nog Duitsers op straat: de meeste bleken al met stille trom vertrokken. De geallieerden rukten op, en het zou niet lang meer duren. Engelse vliegtuigen hadden voedsel gedropt bij de Maassluisedijk, en hier en daar op de Schiedamseweg, was al voorzichtig het rood-wit-blauw uitgestoken. Onderweg naar de Hollandia zagen Bram en Teun nog een laatste kolonne de stad uit marcheren, in open jassen, zonder helm of geweer. Clemens en August liepen er ook bij. Ze riepen nog “Auf Wiedersehen” en zwaaiden. Maar de altijd zo vrolijke Oostenrijkers was het zingen en jodelen vergaan.

Er waren explosies gehoord en rookwolken gezien bij de Flak-stelling. Bang om nog gefrustreerde Moffen tegen het lijf te lopen, had Bram gewacht tot ze definitief weg waren. Nu kon hij er eindelijk eens onbekommerd rondneuzen. Van Teun wist hij dat daar veel hout lag, wat goed van pas zou komen bij achterstallig onderhoud en reparatiewerk. De barak was volledig afgebrand en de bunker half ingestort. Van de kanonnen waren alleen de betonnen sokkels nog intact; de rest was een hoop verwrongen staal geworden.
In de haast om weg te komen, had men veel achtergelaten. Het lag bezaaid met helmen, munitiekisten, stukken hout en ijzer, van alles wat. Ook de tankgracht lag er vol mee. Bij het sorteren van planken vond hij het scorebord, waarover Teun ook weleens verteld had. Met zijn zakdoek veegde hij er de meeste modder vanaf. Het zou een mooi plekje krijgen: achter in de stal.


De zon scheen en de vlaggen wapperden weer volop, toen Canadese soldaten op 7 mei vanaf de Schiedamsedijk de stad inreden. Een clubje lokale schonen had al bevallig plaats genomen op de motorkap van de wagens, voor een zegerit naar de Markt.
Vanuit Kethel was een Amerikaanse legerpredikant met zijn Jeep in Vlaardinger-Ambacht beland om ondergedoken piloten op te pikken. Zijn missie kreeg een onverwacht aangename wending, toen hij daar door een uitzinnige menigte als bevrijder werd ingehaald.
Hoe het ook zij, onze stad was nu eindelijk echt bevrijd. De door de Duitsers afgezette burgemeester Siezen, die ondergedoken was in het Hofsingel ziekenhuis, werd bij zijn terugkeer op het stadhuis toegejuicht alsof hij de Koningin zelf was. Het zou daarna feest zijn in de stad, nog maandenlang.

Niet alleen had Trees ineens een Canadees, ook gezinnen werden weer herenigd, en bijna iedereen kreeg weer vertrouwen in de toekomst. De doldwaze zomer die volgde, stond geheel in het teken van feesten, drinken, dansen en liefde. Alle ingrediënten voor een geboortegolf waren aanwezig, en die bleef niet lang uit. Het naoorlogse Vlaardingen kreeg te kampen met grote woningnood. Om plaats te maken voor de broodnodige stadsuitbreiding, werden landerijen onteigend en veel boerderijen ontsnapten helaas niet aan de slopershamer.

De boerderij aan de Nieuwelaan bleef gelukkig buiten schot; die lag immers al jarenlang midden in de stad. Maar met de bouw van de rest van de Indische Buurt en de latere Westwijk, was ook Bram het merendeel van zijn land kwijt geraakt. En toen Teun in 1947 werd opgeroepen voor militaire dienst en, tegen wil en dank ruim een jaar lang naar Nederlands-Indië zou gaan, was ook Bram verre van enthousiast. Hij tobde met beginnende rugklachten en raakte zo goed als uitgemolken. De melkhandel, die hij samen met zijn vrouw tijdens de oorlogsjaren al voorzichtig was begonnen, zou daarom worden voortgezet als kruidenierszaak. Op een klein weilandje hield hij nog een paar laatste koeien. De woning werd deels bij de winkel getrokken, en de grote stal werd bijna volledig omgedoopt tot magazijn. In koeienletters, hoe kan het ook anders, kwam er 'Fijne Vleeswaren' op de gevel, en er werden kaas, brood en levensmiddelen verkocht. In de Vlaardingse volksmond werd de zaak later bekend onder de naam Burgie.

burgie vlaardingen nieuwelaan kruidenier levensmiddelen


Toen het nest in de Borneostraat op uitvliegen stond, verhuisden vader en moeder alvast naar een kleinere woning, halverwege dezelfde straat. Nadat hij was afgezwaaid en thuisgekomen uit Nederlands-Indië, kon Teun niet wachten om te trouwen met zijn Maria, en samen stichtten ze al gauw hun eigen kleine gezinnetje.
Op zaterdagen ging hij nog regelmatig naar de Nieuwelaan voor boodschappen, en natuurlijk ook voor de koeien. Want kalf Teuntje was inmiddels een prachtige volwassen melkkoe geworden. Dikwijls kon hij de verleiding niet weerstaan, en installeerde zich weer op het wiebelige houten krukje om te gaan melken. Beurtelings trekkend aan de spenen, precies zoals Bram hem ooit had geleerd, tot de lauwwarme melk kletterend in de emmer spoot.




Dit verhaal is tot stand gekomen met dank aan:

Het verhaal over Teuns belevenissen in Nederlands-Indië leest u hier.

zaterdag 18 mei 2013

Mijn fantastische ideeën

Veel bedrijven en instellingen stellen het op prijs als klanten of medewerkers met een goed idee komen om bijvoorbeeld de efficiency of klantvriendelijkheid te bevorderen. Bij voorkeur wil men zoveel mogelijk goede ideeën verzamelen en met de beste daarvan iets nuttigs doen. Als kers op de taart is er voor de beste inzender altijd wel een cadeaubon van Maison de Bonneterie ter waarde van 5 euro, een leuk muismatje of een stropdas met het oude bedrijfslogo beschikbaar. Tot nu toe klinkt het goed, toch?

De ervaring heeft helaas geleerd dat het in werkelijkheid totaal anders gaat. Veel van m¡jn goede ideeën worden achteloos, zonder dank of opgaaf van reden, terzijde gelegd. Alsof de duvel ermee speelt: niemand wil naar mij luisteren. Hier volgen een paar schrijnende voorbeelden uit de praktijk.

Vanwege de bezuinigingen bij de gemeente waar ik ooit werkte, moesten we de koffie -die voorheen altijd gratis was- zelf gaan betalen via inhouding op het salaris. Op vrijwillige basis, want je mocht natuurlijk ook een thermoskan van huis meenemen. Per kamer werd dagelijks een volle kan neergezet en we moesten onderling maar uitvechten wie koffie uit de kan kreeg. Dit ging ongeveer twee weken goed, tot ik bemerkte dat 'niet betalende' collega's stiekem meedronken als ik even weg was.



Mijn plan om de koffie weer gratis te maken en een toiletjuffrouw aan te stellen, om op die manier alsnog een eerlijke vergoeding voor het koffie-gebruik af te dwingen, verdween onderin een la om er nooit meer uit te komen. Ik was zwaar aangeslagen want naar mijn mening was dit het allerbeste idee sinds de uitvinding van het klosje garen. Als beloning kreeg ik een gebrouilleerde arbeidsrelatie met twee collega's.

Laatst ging het met Feyenoord erg slecht: niet alleen op het sportieve vlak maar ook financieel. De verkoop van seizoen-kaarten daalde tot een histerisch dieptepunt en er kwam geen hond meer kijken in De Kuip. Als je opbelde en informeerde hoe laat de wedstrijd begon, kwam geregeld de wedervraag "Hoe laat schikt het u?"



Enkel een paar van mijn adviezen zou de club uit het slop kunnen trekken. En ik heb verstand van voetbal want mijn naamgenoot met dubbel-s speelde nota bene bij Ajax! Om meer toeschouwers te trekken, adviseerde ik o.a. om voortaan een dameselftal op te stellen, om al tijdens de wedstrijd van shirtjes te wisselen en naakte grensrechters in te voeren. Het bleef doodstil aan de overkant. Behalve van de spelers, die tegenwoordig na een belangrijk doelpunt het shirtje over het hoofd trekken -en zo als een kip zonder kop blijven rondrennen- heb ik verder geen bijval gekregen.

Ook mijn suggestie om de naam van de brandweer te veranderen werd totaal genegeerd. Als er met grote letters WEER BRAND op een ladderwagen zichtbaar is, begrijpt men tenminste wat er aan de hand is! Nou vergeet het maar, want dat ging niet gebeuren. In plaats daarvan heeft men juist het tegenovergestelde gedaan: nu is de naam in spiegelschrift op de voorkant van de bluswagens gezet! Welke sterveling begrijpt het nu nog?

Ondanks alle tegenwerking stroomt mijn hoofd nog steeds over. Het voert te ver om alle ideeën die ik bij mijn huidige werkgever heb ingediend te noemen, maar ik wil wel gezegd hebben dat ik ruim twintig kaartjes heb opgestuurd. Zojuist had ik met mijn kamergenoot nog een discussie, want ook hier krijg ik nergens een reactie op. Daarbij vroegen wij ons af waar in godesnaam die ideeënbus in ons gebouw was opgesteld en gingen samen op zoek.


Toen we hem eindelijk hadden gevonden werd meteen alles duidelijk. Het is namelijk een simpel apparaat met een smalle gleuf, een stekker en een rode knop. Klaarblijkelijk zit er ook hier helemaal niemand te wachten op mijn fantastische ideeën.

zondag 1 juli 2012

Mijn look-a-like


'Hé Jansen!'
'Who, me? Okay, whatever turns you on.'
'Dat is een tijd geleden Theo, hoe is het nou?'
'I'm an MD, not what you think.'
'Ik herkende je bijna niet meer. Wat ben jíj afgevallen zeg!'
'For a moment there I thought you were a smart lady.'
'Doe nou niet zo flauw man, met dat gekke Engels van je.'
'Oh my God. You're not wearing a bra.'
'Ja, nu is het wel leuk geweest Theo, doe eens normaal en blijf van me af.'
'Female idiots are fun. No wonder every village wants one.'

Dat men in Hugh Laurie, die House speelt in de gelijknamige televisie-serie, een slanke variant van mij herkent verbaast me niet. Hij heeft namelijk een aantal dingen met mij gemeen. Net als ik werkt hij in een ziekenhuis, loopt hij een beetje moeilijk en neemt het soms met scheren niet zo nauw.


Regelmatig verwart men anderen met mij. Bijvoorbeeld een Pieter van Vollenhoven die vergat zijn piano te laten stemmen. Of ene Tjerk Bruinsma, burgemeester van Vlaardingen, op een zoveelste mislukte foto wegens schaapachtig lachen. Of neem nou die Amerikaanse film-acteur, die irritante zelfingenomen lady-killer, die de hele dag rond het Senseo-apparaat drentelt. Of was het nou Nespresso? What else.

Maar zoals ik is er toch maar één; ik ben toch uniek? Hoe kunnen ze me nou verdorie verwisselen met die andere personen? Waar halen die lui toch het gore lef vandaan om zomaar op mij te lijken? Dat zou iedereen wel willen, toch? Maar ik heb ook mijn privacy en ik ben zeker Sinterklaas niet. Behalve aan House heb ik daarvoor aan niemand toestemming gegeven.

maandag 12 december 2011

Mijn ruimtereis

Ik krijg zure oprispingen van Het Hollandsch Levenslied, heb last van plaatsvervangende schaamte als ik een polonaise zie en van draaiorgels word ik schietgevaarlijk. Maar als ik èrgens een bloedhekel aan heb is het wel een vergadering op het OK-complex in ons ziekenhuis!



Voordat je de zaal waarin de talkshow wordt gehouden mag betreden, is het verplicht omkleden geblazen. Bij iedereen die naar binnen wil ziet poortwachter Giel Steriel er streng op toe dat een speciale overall wordt aangetrokken en een haarkapje opgezet. Zelfs de reeds kalende mannen van rond de vijftig -die van nature altijd al een soort badmuts dragen- vormen op dit laatste geen uitzondering.

De vaste OK-crew heeft een eigen kleedruimte maar bezoekers moeten zich omkleden in een felverlichte hal bij de ingang. Er is daar geen enkele privacy en daarom wil ik graag mijn normale kleding eronder aanhouden. Qua maat is het 'One Size Fits All', ikzelf noem het altijd 'Extra Medium'. Het zweet parelt van mijn voorhoofd als het, na een kwartier getob en geworstel, uiteindelijk gelukt is om in de overall te klimmen en met een uiterste krachtsinspanning de rits dicht te trekken.

Overigens loopt iedereen daar in zo'n zelfde gekke pakje. Maar net zoals bij mijn allereerste bezoek aan een sauna voel ik me toch bekeken en opgelaten in zo'n belachelijke outfit. De plastic hoesjes om mijn schoenen voelen als groene zeep op de gladde tegelvoer. Als een travestiet op naaldhakken op een grindpad met tegenwind, zeg maar.

Na een prachtig weekend met een heerlijk zonnetje en zeer aangename temperaturen voor de tijd van het jaar, is het sinds vandaag uit met de pret. Hoewel het nog steeds niet echt koud is, lijkt het alsof er elk moment dikke vlokken sneeuw uit de grijze wolken zullen gaan vallen. Een week geleden zag je overal de etalages en winkelstraten nog vol met sinterklaas versieringen en sinds afgelopen weekend heeft half Nederland alweer een kerstboom in de woonkamer en hoor je de godganse dag niet anders dan dat eeuwige Last Christmas van Wham op de radio.

De bemanning van de Apollo 13 wenst U daarom alvast een prettige kerst en een voorspoedig nieuwjaar!

Opmerking bij de foto: Om begrijpelijke redenen wilden mijn collega's André (rechts)  en Susanne ( midden)  slechts onherkenbaar in beeld worden gebracht..



maandag 18 juli 2011

Mijn handicap

In een recente uitgave van ons ziekenhuis-magazine stond een artikel over de KNO-afdeling en de onderzoeken die daar worden verricht. Gebleken is dat de meest voorkomende oorklachten worden ervaren als gepiep, gesis, constante ruis en gebonk. Ik kan me goed voorstellen dat patienten die daar last van hebben helemaal gek worden. Hoewel ik ook een klant van die afdeling ben, heb ik gelukkig geen last van hinderlijke bijgeluiden. Sterker nog: ik hoor aan één kant bijna helemaal geen geluiden. Ik ben namelijk aan de rechterkant zo goed als doof.

Ooit heb ik eens een middenoor-onsteking gehad die niet tijdig is ondekt. Mijn huisarts vond het niet zo spannend allemaal en de diagnose was: "Duizelig? Dan moet je maar niet zoveel drinken."
Bij de uiteindelijke operatie bleek dat de onsteking dusdanig was doorgewoekerd dat mijn evenwichtsorgaan bijna was aangetast. En dat ik voortaan een aantal onderdelen moest missen. Heeft een normaal gezond gehoororgaan een trommelvlies, hamer, aambeeld en een stijgbeugel, in dat pret-oor van mij zit alleen nog maar een klein stukje trommelvlies en iets dat de KNO-arts er destijds zelf aan vast heeft gefabriekt om er nog iets van te maken. Audiotests hebben uitgewezen dat mijn rechteroor nog iets van 10 procent hoort van wat je normaal zou moeten horen. Vooral in het hoge frequentie-gebied hoor ik absoluut niets meer. Beetje jammer, maar niets meer aan te doen.

Met meerdere mensen tegelijk in gesprek wordt soms lastig. Bij vergaderingen op mijn werk en verjaardagen thuis moet ik met mijn nog goede linkeroor naar de spreker toe draaien om het gesprek goed te kunnen volgen. Ik ga daarom zoveel mogelijk rechts van mijn gesprekspartner zitten. Sommigen beweren dat als ik aan iemand een hekel heb, ik dan nèt andersom ga zitten! En je moet iemand altijd goed aankijken als er tegen je wordt gesproken, dat helpt ook. Maar ook weer niet te lang en zeker niet te diep in de ogen, want dan krijg je weer allerlei rare praatjes.. toch?


Als -inmiddels ervaren- audiologisch gehandicapte kan ik mijn doofheid voor de buitenwereld goed verbergen. Door de jaren heen heb ik er prima mee leren leven en zit er totaal niet meer mee. En al die plagerijtjes heb ik inmiddels ook allemaal wel gehoord. Zo is er tegenwoordig speciale shampoo voor slechthorenden: Dove. En wat dacht je van deze: Voortaan krijgen doven geen narcose meer want wie niet horen wil die moet maar voelen!

En zo als altijd: elk nadeel heb se foordeel. Als mijn lief in bed weer fanatiek een zoveelste hectare subtropisch regenwoud om gaat zagen, ga ik met mijn nog goede oor op het kussen liggen.
Oorverdovende stilte, heerlijk!




Follow
Delen? Ja graag!