Mijn meest gelezen

zaterdag 22 april 2017

Burgie en de blindganger

- een Vlaardings oorlogsverhaal -

In de buurt van de Krabbeplas, op een steenworp van tankstation Aalkeet aan de A20, ligt een grote betonnen sokkel naast het fietspad. Het gevaarte is verweerd en begroeid met mos. De meeste recreanten zullen er achteloos voorbij rijden: ongetwijfeld weer een zoveelste planologische blunder van een vorig gemeentebestuur. En nog geen twee kilometer verderop, in de Indische Buurt, staat een huis met nieuw metselwerk in de voorgevel. Volgens de huidige bewoners komt dit, doordat er ooit een gevelkacheltje op die plek zat.
Maar niet alles is wat het lijkt. Voor het hoe en waarom moeten we terug in de tijd.

beton, sokkel, fundering, luchtafweer, duits, Flak, wo2
Het was oorlog. En in de meidagen van 1940 sneuvelde een jonge Vlaardingse militair, die in het dagelijks leven als boerenknecht bij melkveehouder Bram van der Burg werkzaam was. Hij kwam om bij de verdediging van de Maasbruggen in Rotterdam. Na het laffe Duitse bombardement zou die stad nog dagenlang branden en ook hier waren de enorme rookkolom en nachtelijke gloed duidelijk te zien. De afschuw en woede waren van de gezichten op straat af te lezen.

Een kleine stad is soms net een dorp, dus ook in Vlaardingen gonsde het van de geruchten en berichten. Teun Jansen, die al eerder vergeefs bij Bram had gesolliciteerd, hoorde via via over de omgekomen knecht en trok wederom de stoute schoenen aan. De aanleiding was allesbehalve prettig, maar dit was zijn grote droom. Hij zag zichzelf al gaan: amper veertien, en dan al met een grote platte boerenwagen en trekpaarden over straat!

Zijn oudere broer Jo was boerenknecht in de Zuidbuurt, en had hem de kunst van het paarden mennen al vaak gedemonstreerd. Bram hoefde daarom maar weinig uit te leggen: Teun had vrijwel meteen alle teugels strak in handen en werd aangenomen. Voortaan was hij de vaste berijder van het span en de nieuwe Manus-van-alles-van-Bram. De afgelegen landerijen van de stadsboerderij lagen in de Aalkeet-Buitenpolder en eindigden ver voorbij het eind van de oude Groeneweg. Paard en wagen waren voor Bram onmisbaar, en sinds die dag was hij dat ook.

Toen een paar dagen na de capitulatie de eerste Duitsers in Vlaardingen arriveerden, was de rook boven Rotterdam zo goed als verdwenen. De brandende olietanks bij de Shell aan de overkant waren inmiddels geblust en aan de Kortedijk werd het puin geruimd. Goddank geen slachtoffers daar. Ook leek dat handjevol Duitsers wel mee te vallen, ze gedroegen zich correct: ze waren als vrienden gekomen. Tenminste, dat had de nieuwe Ortskommandant gezegd. En die domme oorlog zou toch over een paar maanden wel weer voorbij zijn? Zo goed en zo kwaad als dat ging, probeerde iedereen de draad van het dagelijks leven weer op te pakken.

Boer Bram was van het type ruwe bolster, blanke pit. Teun kon daar prima mee overweg en had al snel zijn draai gevonden. Vooral in die eerste zonovergoten zomermaanden, genoot hij met volle teugen van het buitenleven. Het was weliswaar keihard werken, maar hij hield van aanpakken. Leergierig en handig als ie was, deed hij samen met Bram alles wat er in de veehouderij moest gebeuren. Het melken van de koeien hoorde daar vanzelfsprekend ook bij. Enkel in de winter werd op stal gemolken; vroeg in het voorjaar waren de dames alweer joelend de wei ingerend.

voorjaar koeien weiland

Op klompen en gehuld in blauw ketelpak, na springen over slootjes en klimmen over hekken, half onder een koe gekropen op een wiebelig houten krukje. Wel goed oppassen als de koe onrustig was: een schop tegen de schenen deed gemeen pijn. En beurtelings trekken aan de spenen, had Bram hem geleerd, tot de lauwwarme melk kletterend in de emmer spoot. Dus zo deed hij dat, zolang de voorraad strekte. Koe na koe.

Bijna dagelijks vlogen grote aantallen geallieerde toestellen over, voor bombardementen op de fabrieken in het Duitse Ruhrgebied. En telkens wanneer er hoog in de blauwe lucht weer zo'n zwerm brommende stipjes verscheen, was dat het geijkte moment om even de stramme benen te strekken. Bij gebrek aan een vlag kwam vaste prik Brams grote vieze zakdoek tevoorschijn: "Zet 'm op jongens, laat de Moffen maar een poepie ruiken!" en hij zwaaide ermee naar de vliegtuigen.

Bram had ruim zestig prachtige, zwartbonte koeien. Fries Hollandse. Stuk voor stuk gaven ze heel veel melk: zowat dagelijks ging de wagen met zo'n twintig volle bussen naar de Hollandia melkfabriek in de stad. Er bleef nog genoeg over en Brams vrouw zag daar wel handel in.
Ook thuis in de Borneostraat kwam men niks tekort, ze waren met een groot gezin en iedereen droeg zijn steentje bij. Regelmatig bracht Teun melk, boter of kaas mee naar huis en Jo kon vaak groenten en aardappelen ritselen. En broer Jan, die klusjes deed bij het slachthuis, was zowaar een keer met een varken thuisgekomen. Helaas was moeder allergisch en hield de deur stijf dicht, zou lolbroer Wim jaren later beweren, en daarom is Jan er na de bevrijding maar mee getrouwd.

hollandia melkfabriek melkbussen uitladen


Maar die bevrijding, waarop iedereen hoopte, was nog heel ver weg. In rap tempo werden steeds meer Duitse eenheden in Vlaardingen gelegerd: Wehrmacht-soldaten in de oude school aan de Groen van Prinstererstraat, Schnellboten van de Kriegsmarine aan de kade in de Wilhelminahaven, en de Luftwaffe in een woning vlakbij de boerderij nota bene. En dat niet alleen: spertijd werd ingevoerd; na zonsondergang en vóór zonsopgang was het verboden op straat te gaan, en al eerder moest iedereen bij donker alle ramen verduisteren. Jonge mannen moesten zich melden om te gaan werken in Duitsland en Joodse mensen werden opgepakt. Velen van hen doken onder. De harde realiteit van de bezetting en onderdrukking drong nu snel tot iedereen door en de sfeer werd almaar grimmiger. En na een onbedoeld Engels bombardement op de Afrol en de Hoogstraat, waarbij meerdere dodelijke slachtoffers vielen, was de verschrikking van de oorlog ineens akelig dichtbij.

De manschappen van de Luftwaffe hoorden bij een batterij luchtafweergeschut met zoeklichten: een zogenaamde Flak-stelling, ter ondersteuning van nog veel zwaarder Duits geschut rond Rotterdam. Het zou dicht bij het land van Bram worden geplaatst: helemaal achterin bij de Eendenkooi, langs de nieuwe Rijksstraatweg 20A naar Maassluis. Tegen pottenkijkers was daar al een hoge schutting neergezet. Bij het verkennen van de buurt rond de Nieuwelaan, viel hun oog op de wagen waarmee Teun dagelijks voorbij reed, en een snauwerige Luftwaffe-officier hield hem staande om deze per direct te vorderen.

Bram was woest: "Wat, gevorderd? Zijn die Moffen nou helemaal gek geworden? Wacht maar eens even..." Hij was niet bang uitgevallen en beende op hoge poten -en gewapend met een groot stuk kaas in zijn zakdoek geknoopt- naar de Kethelweg. De Ortskommandant stond bekend als onverbiddelijk, maar ging na ontvangst van het cadeau alsnog overstag. Dus gelukkig mochten ze 't span zelf ook blijven gebruiken. En bovendien kregen hij en Teun toestemming om tijdens Spertijd buiten te zijn. Uit handen van Hauptmann S.A. von der Kraft ontvingen ze een Ausweis met een speciale aantekening 'wegen die Arbeit für die Wehrmacht', compleet gestempeld met adelaar en hakenkruis. Waar die echte Hollandse boerenkaas al niet goed voor is!

ortskommandant openingstijden streekmuseum


Telkens als er beschietingen waren geweest, was er de volgende morgen weer werk aan de winkel. Voor dag en dauw moesten de paarden van stal en op de werf voor de wagen gespannen: een lastige klus in het pikkedonker. Vaak helemaal in z'n uppie, want zó vroeg sliep Bram meestal nog. Precies om vijf uur waren de soldaten present en gingen ze op weg. Bij het kamp moesten lege granaathulzen worden ingeladen en vervolgens naar een depot bij het station worden gebracht. En vanaf daar ging het spul per trein terug naar de wapenfabrieken in Duitsland, voor hergebruik.

Er reden steevast twee man mee op de bok. Het bleken beiden vriendelijke Oostenrijkers, Clemens en August uit Tirol, die tot vreugde van Teun helemaal niets van Hitler en de oorlog moesten hebben. Het contact was onverwacht aangenaam; ze waren erg spraakzaam en grappig, en deelden ook weleens een sigaretje uit. En geen rotzooi zoals Amateurtjes of bukshag, maar echte Atikah Auslese! Soms toverde Clemens zelfs een platvinkje Schnapps uit zijn binnenzak. Hij had een oom in Texas en sprak een klein mondje Sauerkraut-Engels. Zijn motto was 'It must be five o'clock somewhere around the world’.
Niet vreemd dat er regelmatig werd gezongen of gejodeld onderweg. Helemaal geweldig vond Teun dat. Hij hield zelf ook enorm van zingen en deed dapper mee. Later zou ie lid worden van mannenkoor Orpheus, nam hij zich voor.

luftwaffe flak maasland vlaardingen aalkeet
Het kamp bleek inderdaad een behoorlijk verdedigingswerk te zijn. Minstens drie draaibare afweerkanonnen op een betonnen sokkel met eromheen gigantische zoeklichten en snelvuurgeschut op pootjes achter een bekisting met zandzakken. Een stuk verderop was zowaar een lange en brede tankgracht gegraven, die liep vanuit de Broekpolder in de richting van de Poeldijkse Wetering. Op een klein drassig veldje, achter een grote houten barak en een half ondergrondse voorraadbunker, lagen de lege hulzen verzameld.

Hij was al gewaarschuwd: behalve de beide Oostenrijkers stak niemand een vinger uit bij het inladen. Een loodzware rotklus, 't was daar één en al modder, en die krengen waren lukraak neergesodemieterd en wogen wel een paar kilo per stuk. De woordenschat van de kleine schreeuwer met officierspet en haastige ogen was beperkt: veel meer dan 'Schnell, weitermachen!' kwam er niet uit. Nee, melkbussen sjouwen was dankbaarder werk.
De andere fanaten waren vaak in juichstemming en druk met een scorebord, waarop trots werd genoteerd welk geallieerd vliegtuig ze hadden getroffen, en waar die arme drommels vermoedelijk waren neergestort. Teun beet op zijn lippen; wat kon je er tegen beginnen? 'Beteiligt an den Abschussen', vuile rotmoffen waren het!

abschuss bord luftwaffe wellington blenheim flak streekmuseum


De jaren gingen voorbij en een tijd van grote schaarste brak aan. Zo ook in Vlaardingen. Alle levensmiddelen waren op de bon en in de winkels was nauwelijks nog iets verkrijgbaar. Had je eindelijk een keer geluk, dan had je meteen weer pech. Even verderop werd het meeste alweer afgepakt bij de controleposten in de stad.
Zo kwamen er geregeld meer buurtklantjes aan de deur, voor groente en zuivel. Betalen mocht, maar liefst ruilen voor iets waar ze zelf gebrek aan hadden. Schuin aan de overkant woonden Stuka's, waar tot ergernis van de buurt steeds vaker Duitsers kwamen aanwippen. En moeder wilde geen gedoe, "Zo'n smerige moffenhoer zou ons nog verraden voor een halve reep chocola!" Daarom moest men voortaan achterom, via de steeg naar de keukendeur. 's Avonds in het schemerdonker, stonden daar op 't laatst gewoon mensen braaf op hun beurt te wachten.
Het werd trouwens steeds gekker. Onlangs waren van een boer aan de Holyweg al een schaap en kalfjes gestolen. En in de singel zag je ook al geen eenden meer. Voor alle zekerheid zat er dus een stevig slot op het kippen- en konijnenhok. Vooral als de feestdagen voor de deur stonden, wist je maar nooit.

Teun had nauwelijks last van controleposten. Hij had er namelijk een goede gewoonte van gemaakt om, in gezelschap van Clemens en August, te zwaaien naar elk Duits uniform dat ze onderweg passeerden. Jo vond dat ronduit schandalig en had plaatsvervangende schaamte: "Je bent toch verdomme geen landverrader?" Hij maakte veel liever met twee opgestoken vingers het V-teken naar die lui.
In ieder geval had de truc wél succes: zelfs wanneer Teun tijdens Spertijd met uitpuilende tassen en een volle krat achterop huiswaarts fietste, ging de slagboom al omhoog zodra hij herkend werd. Maar bij de akelige landwachters van de NSB werkte dat helaas niet. In die gevallen deed zijn Ausweis wonderen.

stempel hakenkruis adelaar ausweis


Als hij ’s avonds thuiskwam, zat de rest meestal al aan tafel. Vast onderwerp van gesprek waren de gebeurtenissen van de dag: Mannen opgepakt voor de Arbeitseinsatz, Joodse onderduikers verraden en met onbekende bestemming afgevoerd, iemand van het verzet door de Duitsers doodgeschoten...
"Maar wie weet er nog wat leuks?" Altijd als het gezin zo compleet bij elkaar zat, was vader Jansen wel in voor een grap of anekdote. En dat hielp, om de moed erin te houden. Nou, als een Mof zou vragen 'Wo ist der Bahnhof?' dan moest je gewoon de andere kant op wijzen. Een vriend van Jan had dat een keer zo gedaan, en die Mof trapte er nog in ook! En gelachen dat ze hadden. Maar Teun had die grap onderhand al tig keer gehoord en begon dan uitgebreid te gapen. Dus na de afwas mochten ze nog hooguit één potje klaverjassen met vader, daarna wassen, pyjama aan en naar boven.

Net als op die ene avond in september. Voor de gezelligheid lagen Jan en Teun ditmaal samen op één kamer, omdat de rest een nachtje uit logeren was. Doodmoe waren ze, maar toch lukte het niet om in slaap te komen. Het was broeierig warm in huis en ze lagen te woelen in bed. Dan nog maar een waxientje aan en Dick Bos lezen. Ook boeken waren schaars; alles wat brandbaar was ging de kachel in. Maar dit was een gelukkie, want in ruil voor wat melk had moeder nog een stapeltje bemachtigd. Zo konden de jongens weer even vooruit. Maar van echt lezen kwam niks, met oren op stokjes lagen ze te bladeren.


En toen: ja, toen hoorden ze iets. Aanzwellend gebrom in de verte, en bijna automatisch begonnen de sirenes te loeien. Ze zaten gelijk weer rechtop in bed en Jan blies snel het vlammetje weer uit. "De Tommies, ze komen vanaf de andere kant, hoor maar… Adolf heeft alweer flink op zijn donder gekregen", fluisterde hij. "Kom mee, we gaan kijken." Het was ze streng verboden om 's nachts op zolder te komen, want daar was het niet verduisterd. En sommige mannen van de LBD, de luchtbeschermingsdienst, waren niet makkelijk. Je had zó een fikse boete aan je broek. Maar de jeugdige nieuwsgierigheid won het toch.

Terwijl ze zachtjes naar boven slopen, hoorden ze moeder in de keuken hard met iemand praten. "Vast weer dat dove mens van Zwaneveld voor snijbonen, komt dat even mooi uit", dachten ze allebei hardop, want die bleef altijd heel lang plakken, dus moeders was nog wel even afgeleid. Teun klom op een kruk en zwaaide het raam open, om beter te kunnen zien. Zoeklichten trokken baantjes in de lucht, om zo een vliegtuig in de felle lichtstraal te kunnen vangen, wat al snel gebeurde. Het geschut begon te knallen en spuugde stralen lichtspoormunitie door de lucht. "Spitfires" riep Teun, "en een Lancaster", vulde Jan aan. "Nee Jan, dat is een Mitchell" baste de stem van vader. "Een Amerikaans toestel, maar tóch een van de Engelsen." Betrapt keken ze achterom, maar vader knipoogde en sloeg zijn armen om hen heen. Hij had ook de sirenes gehoord en de trap naar zolder horen kraken, en kende zijn pappenheimers wel.

Boven hun hoofd waren het kat-en-muis-spelletje en de lichtshow begonnen. Met ingehouden adem keken ze naar de lucht. De Spitfires, wel een stuk of drie, waren snel en wendbaar, en doken omlaag naar de Flak-stelling om de zoeklichten te raken. De boordmitrailleurs in de vleugels spogen vuur. Ondertussen probeerde de piloot van de Mitchell uit het felle licht en de regen van ontploffende Flak-granaten weg te komen en draaide terug, hun kant op. "Die vliegt laag, zou hij geraakt zijn?" Vader had het nog niet gezegd of de grote kist vloog met bulderend geraas over. Ze hadden domweg de neiging te bukken en je kon de Tommies erin zien zitten; zó laag vloog ie. Het toestel maakte een draai over de stad, maar vloog terug toen aan de overkant van de Maas ook zoeklichten aanfloepten. Net toen ze voor de tweede maal wilden bukken, gebeurde het.

mitchell B25 bomber ww2 bommenwerper


Dwars door de herrie van het vliegtuig heen, voelden ze kort achter elkaar twee zware dreunen. Het huis schudde ervan. De eerste dreun kwam uit de slaapkamer met geraas en glasgerinkel. En de tweede, die nog zwaarder was, kwam van buiten, gevolgd door een hoosbui van drie seconden. Zo klonk het tenminste. Vanaf de zoldertrap steeg een stofwolk op en het begon te stinken. "Wegwezen", riep vader en sleurde de jongens mee naar beneden. De kalk van het plafond lag overal op de vloer. Hun slaapkamerdeur was dicht, en bleef dicht, want zelfs vader durfde niet te kijken. "Naar beneden, het huis uit!"
Buiten troffen ze moeder met een gillende mevrouw Zwaneveld achter een muurtje in de brandgang. Bevend van schrik stonden ze op hun benen. Door de hele straat gingen deuren en ramen open. Wat was er in godsnaam aan de hand?

De LBD'er, die ditmaal toevallig zijn avondronde door de Indische Buurt liep, was in een oogwenk ter plaatse. Met zijn knijpkat scheen hij in de rondte... Er waren grote plassen op straat en op het gras lagen vissen te spartelen. Vader liep voorzichtig met hem mee rond het huis. Het pad lag bezaaid met glasscherven en kapotte bakstenen, en boven de voordeur zat een behoorlijk gat in de gevel. Er kwam een naar olie stinkende rookpluim uit, maar gelukkig zagen ze geen vuur. De man stelde samen met een toegesnelde collega vast dat dit een blindganger was; een granaat van het luchtafweergeschut, die (nog) niet geëxplodeerd was. Maar dat kon misschien elk moment alsnog gebeuren. De andere granaat was wél ontploft, midden in de vijver van de Surinamesingel.

Die nacht mochten ze het huis niet meer binnen. Men zou zo snel mogelijk de Duitsers waarschuwen om het enge ding onschadelijk te maken. Vader zou in de buurt blijven. De rest moest proberen ergens anders onderdak te vinden voor de nacht. Dat gold ook voor de naaste buren. Mevrouw Zwaneveld was weer enigszins gekalmeerd en nam moeder en Jan mee. Ver weg klonk nog zacht het geluid van de vliegtuigen, maar de kanonnen waren weer stil. Teun moest de volgende morgen weer heel vroeg op pad, en ging maar alvast op zijn brikkie naar de boerderij. Ditmaal in pyjama, met z'n klompen in een emmer aan 't stuur.

Onderweg schoot hem een goede slaapplek te binnen: achter in de stal, tussen het hooi. Maar toen hij zijn fiets op de werf zette, zag hij tot zijn verbazing dat er al licht brandde in de stal. Uitgerekend achterin was Bram bezig een koe in bedwang te houden. "Je komt als geroepen; Marijke is aan 't kalven. Pak jij eens snel de touwen en stroop je mouwen op." Opgeschrikt door de herrie van de vliegtuigen en het geschut, was hij voor alle zekerheid nog een keer in de stal gaan kijken en trof de koe in barensnood. "Wat ben jij trouwens vroeg en wat een raar ketelpak heb je aan, is er wat gebeurd?"

De vliezen braken, want plotseling begon het vruchtwater te stromen en de koe begon te loeien. De voorpoten kwamen al een klein stukje naar buiten. Net genoeg om het touw aan vast te maken. Terwijl Bram met al zijn gewicht tegen de koe duwde, begon Teun langzaam aan de touwen te trekken. Dat viel niet mee: het kalf zat na twee uur duwen en trekken nog muurvast en bij elke perswee loeide de koe nog klaaglijker. Toen ze even later wat kalmer en stiller werd, kon hij eindelijk vertellen wat er allemaal gebeurd was. Bram reageerde laconiek: "Ik mag wel van geluk spreken. Voor 't zelfde geld had ik hier vannacht alleen staan tobben. Vooruit Marijke, nog een klein stukkie."

Nogmaals duwde Bram tegen buik van de koe. Het kalf gleed onverwacht vlot naar buiten en Teun viel bijna achterover. Bijna, want hij kon het kalf nog net opvangen, en legde het daarna zachtjes op de grond. Instinctief begon de koe het gelijk schoon te likken. "Ziezo meid, gefeliciteerd met de kleine. En jij kerel, ook goed gedaan. Als ik jou toch niet had... Ga je maar even opfrissen in de bijkeuken en trek dat groene ketelpak van mij maar aan. Maar daarna snel de paarden naar buiten, want over een half uur staan jouw jodelende vrienden alweer voor de deur."
Het ging met vallen en trillend weer opstaan, maar al gauw bleef het kalfje overeind en vond meteen de uiers van de moederkoe. Bram zocht een potlood, pakte zijn beduimelde boerenboekje, keek op zijn horloge en staarde even voor zich uit. Toen snoot hij uitgebreid zijn neus en schreef: '21-sept-1944, 4:25 uur, vaars, Teuntje'.

kalf pasgeboren


Zoals gebruikelijk waren ze stipt op tijd. Maar ditmaal had hij geen vrolijke passagiers aan boord: August vertelde dat er die nacht gewonden en zelfs doden waren gevallen. Maar Teun was doodmoe en ook niet bijster spraakzaam. Hij was meer bezorgd of  't huis nog wel overeind zou staan. Het zou een stille tocht worden.
Toen ze bij de ingang van het kamp aankwamen, was het al bijna licht geworden. Er stond ditmaal een schildwacht met het geweer in de aanslag. Ze moesten daar blijven staan en wachten op nadere orders. Achter de schutting klonk gejammer en er werd geschreeuwd. Aan de stem te horen, behoorde het Führer-achtige officiertje waaraan hij zo'n bloedhekel had, helaas niet tot de slachtoffers. Na een kwartier was August het wachten beu en ging om opheldering vragen. In een mum van tijd was hij terug: vandaag was het transport afgelast, ze mochten daar weg. 'Mooi zo' dacht Teun, 'een geluk bij een ongeluk: geen gesjouw vandaag' en trok aan de teugels om de paarden te laten omkeren.

Vanuit de stad naderde een grote stofwolk over de Groeneweg. Als een idioot stoof een motorfiets gevolgd door twee grote witte vrachtwagens richting het kamp. Hij stuurde de paarden voorzichtig aan de kant en zag toen aan de rode kruizen dat het ambulancewagens moesten zijn. "Du hast Recht, es gibt heute sieben schwer verletzt und drei Tote," sprak August, "verdammter Krieg."
Zwijgend gingen ze weer verder. Maar een klein stukje verderop stopte Teun abrupt de wagen, sprong van de bok en holde het weiland in. "Was ist los?" August ging er achteraan en trof hem met betraande ogen bij een koe, die levenloos in de wei lag. Het arme beest was die nacht ook door kogels geraakt en doodgebloed. Gisteren had hij haar nog gemolken, en ze hield zich altijd zo rustig. "Verdomde rotoorlog!"

Diezelfde morgen, toen de blindganger was afgevoerd en onschadelijk gemaakt, bleek - afgezien van het gat in de muur - de schade in huis nogal mee te vallen. Een paar andere huizen in het rijtje hadden ook schade aan de voorgevel, maar dat kwam door scherven en mocht geen naam hebben. Met specie en stenen van Bram, witkalk van Glansdorp, en vereende krachten van familie en buren, was alles een paar dagen later weer keurig gerepareerd. Voortaan kon je precies aan het metselwerk zien, waar de granaat door de muur was gegaan.

borneostraat gat metselwerk reparatie vlaardingen

De ellende van de oorlog zou daarna nog ruim een half jaar voortduren. Ook in en rond Vlaardingen gebeurde in die laatste maanden nog van alles. Op het terrein van de Sunlight Zeepfabriek werd een lanceerinstallatie voor V1's geplaatst: raketten waarmee de Duitsers doelen in Engeland bestookten. Daarbij vielen talloze onschuldige burgerslachtoffers. Al snel besloten de Engelsen daar resoluut een eind aan te maken en op 23 maart 1945 volgde een bombardement op de installatie, waarbij ook de fabriek zeer zwaar werd beschadigd. Daags erna had Teun, zoals later bleek, zijn laatste rit met lege granaathulzen.

Eind april zag men amper nog Duitsers op straat: de meeste bleken al met stille trom vertrokken. De geallieerden rukten op, en het zou niet lang meer duren. Engelse vliegtuigen hadden voedsel gedropt bij de Maassluisedijk, en hier en daar op de Schiedamseweg, was al voorzichtig het rood-wit-blauw uitgestoken. Onderweg naar de Hollandia zagen Bram en Teun nog een laatste kolonne de stad uit marcheren, in open jassen, zonder helm of geweer. Clemens en August liepen er ook bij. Ze riepen nog “Auf Wiedersehen” en zwaaiden. Maar de altijd zo vrolijke Oostenrijkers was het zingen en jodelen vergaan.

Er waren explosies gehoord en rookwolken gezien bij de Flak-stelling. Bang om nog gefrustreerde Moffen tegen het lijf te lopen, had Bram gewacht tot ze definitief weg waren. Nu kon hij er eindelijk eens onbekommerd rondneuzen. Van Teun wist hij dat daar veel hout lag, wat goed van pas zou komen bij achterstallig onderhoud en reparatiewerk. De barak was volledig afgebrand en de bunker half ingestort. Van de kanonnen waren alleen de betonnen sokkels nog intact; de rest was een hoop verwrongen staal geworden.
In de haast om weg te komen, had men veel achtergelaten. Het lag bezaaid met helmen, munitiekisten, stukken hout en ijzer, van alles wat. Ook de tankgracht lag er vol mee. Bij het sorteren van planken vond hij het scorebord, waarover Teun ook weleens verteld had. Met zijn zakdoek veegde hij er de meeste modder vanaf. Het zou een mooi plekje krijgen: achter in de stal.


De zon scheen en de vlaggen wapperden weer volop, toen Canadese soldaten op 7 mei vanaf de Schiedamsedijk de stad inreden. Een clubje lokale schonen had al bevallig plaats genomen op de motorkap van de wagens, voor een zegerit naar de Markt.
Vanuit Kethel was een Amerikaanse legerpredikant met zijn Jeep in Vlaardinger-Ambacht beland om ondergedoken piloten op te pikken. Zijn missie kreeg een onverwacht aangename wending, toen hij daar door een uitzinnige menigte als bevrijder werd ingehaald.
Hoe het ook zij, onze stad was nu eindelijk echt bevrijd. De door de Duitsers afgezette burgemeester Siezen, die ondergedoken was in het Hofsingel ziekenhuis, werd bij zijn terugkeer op het stadhuis toegejuicht alsof hij de Koningin zelf was. Het zou daarna feest zijn in de stad, nog maandenlang.

Niet alleen had Trees ineens een Canadees, ook gezinnen werden weer herenigd, en bijna iedereen kreeg weer vertrouwen in de toekomst. De doldwaze zomer die volgde, stond geheel in het teken van feesten, drinken, dansen en liefde. Alle ingrediënten voor een geboortegolf waren aanwezig, en die bleef niet lang uit. Het naoorlogse Vlaardingen kreeg te kampen met grote woningnood. Om plaats te maken voor de broodnodige stadsuitbreiding, werden landerijen onteigend en veel boerderijen ontsnapten helaas niet aan de slopershamer.

De boerderij aan de Nieuwelaan bleef gelukkig buiten schot; die lag immers al jarenlang midden in de stad. Maar met de bouw van de rest van de Indische Buurt en de latere Westwijk, was ook Bram het merendeel van zijn land kwijt geraakt. En toen Teun in 1948 werd opgeroepen voor militaire dienst en, tegen wil en dank ruim een jaar lang naar Nederlands-Indië zou gaan, was ook Bram verre van enthousiast. Hij tobde met beginnende rugklachten en raakte zo goed als uitgemolken. De melkhandel, die hij samen met zijn vrouw tijdens de oorlogsjaren al voorzichtig was begonnen, zou daarom worden voortgezet als kruidenierszaak. Op een klein weilandje hield hij nog een paar laatste koeien. De woning werd deels bij de winkel getrokken, en de grote stal werd bijna volledig omgedoopt tot magazijn. In koeienletters, hoe kan het ook anders, kwam er 'Fijne Vleeswaren' op de gevel, en er werden kaas, brood en levensmiddelen verkocht. In de Vlaardingse volksmond werd de zaak later bekend onder de naam Burgie.

burgie vlaardingen nieuwelaan kruidenier levensmiddelen


Toen het nest in de Borneostraat op uitvliegen stond, verhuisden vader en moeder alvast naar een kleinere woning, halverwege dezelfde straat. Nadat hij was afgezwaaid en thuisgekomen uit Nederlands-Indië, kon Teun niet wachten om te trouwen met zijn Maria, en samen stichtten ze al gauw hun eigen kleine gezinnetje.
Op zaterdagen ging hij nog regelmatig naar de Nieuwelaan voor boodschappen, en natuurlijk ook voor de koeien. Want kalf Teuntje was inmiddels een prachtige volwassen melkkoe geworden. Dikwijls kon hij de verleiding niet weerstaan, en installeerde zich weer op het wiebelige houten krukje om te gaan melken. Beurtelings trekkend aan de spenen, precies zoals Bram hem ooit had geleerd, tot de lauwwarme melk kletterend in de emmer spoot.




Dit verhaal is tot stand gekomen met dank aan:

Het verhaal over Teuns belevenissen in Nederlands-Indië leest u hier.

15 opmerkingen:

  1. Wat een mooi en compleet verhaal. De moeite Waard om even de tijd voor te nemen...

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Wat een geweldig verhaal. En ja Burgie, wie kent hem nou niet? Daar ging ik altijd voor mijn moeder kaas halen!

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Erik Scheffers11 mei 2017 om 07:42

    Met veel plezier heb ik 'Burgie' gelezen (de restanten van een vermeend gevelkacheltje die aan de basis liggen van een kleine familiekroniek); een prachtig verhaal.

    Uiteraard ben ik ook verder gedoken in je verhalen op je blog en ik heb er doorlopend de zelfde glimlach bij als bij de verhalen van Silvia Witteman en Aaf Brand Corstius. Het is knap om het alledaagse tot iets bijzonders te maken en dat vervolgens onderkoeld en relativerend te beschouwen. Een extra dimensie krijgen de verhalen als je ooit zelf misselijk bent geweest van onze plaatselijke cholesterolbommen en tollend 'de Panda' bent uitgeholpen. ('Those were the days....')

    Er moet toch ergens een uitgever zijn die ..........

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Als Oud Vlaardinger zijnde vind ik dit des te meer aanspreken dit mooie verhaal.

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Wat een geweldig stuk om te lezen. Bedankt!

    BeantwoordenVerwijderen
  6. Wat mooi om het Vlaardingen van vroeger te leren kennen. Ik kan me er moeilijk een voorstelling van maken, maar het verhaal is erg goed geschreven en een aantal plekken ken ik van nu. En wat een voorrecht om nu gewoon ontspannen in mijn flatje te kunnen wonen, zonder angst voor bommen of andere gevaarlijke dingen. Dank aan de mensen die hier hard voor hebben gevochten.

    BeantwoordenVerwijderen
  7. Hans van den Berg11 mei 2017 om 09:32

    Vlot geschreven en met gemak een beeld te krijgen. Jouw vader heeft toen enige tijd door slim te handelen best het e.e.a voor elkaar gekregen! Het doet mij denken aan de verhalen van mijn vader die tijdens de oorlog al bakker was bij Van der Meer & Schoep en tijdens spertijd iedere dag werd aangehouden op de Rotterdamsedijk tussen Schiedam en Rotterdam, en het daardoor voor hem bijna onmogelijk was om bijvoorbeeld een extra brood te ritselen voor thuis. Ik heb zijn verhaal vele malen met spanning aangehoord... Ik ben onder de indruk van jouw stijl van schrijven!

    BeantwoordenVerwijderen
  8. Tonny Deinum Angenent11 mei 2017 om 09:33

    Boeiend verhaal over een verschrikkelijke tijd.

    BeantwoordenVerwijderen
  9. Francisca Stam11 mei 2017 om 09:33

    Mooi die verhalen over Vlaardingen. Ik wil er meer!

    BeantwoordenVerwijderen
  10. Heel leuk om te lezen, ik zelf ben van 1946. En ik kwam bij de Fam.Bram Burg,omdat het familie was van mijn moeders kant; de familie v.d Ende. Wij woonden aan de Maasssluissedijk, ook in een soort boerenwoning. Mijn opa Adrianus v.d Ende, is op 10 Mei 1940 in de vroege ochtend, toen hij z'n paard uit de wei had gehaald aan de Mozartlaan, neergeschoten door een jachtvliegtuig van de duitsers, en een aantal weken daarna overleden aan zijn verwondingen: in zijn ruggemerg geraakt.

    BeantwoordenVerwijderen
  11. Raimond den Breems11 mei 2017 om 09:34

    Wat een mooi verhaal!

    BeantwoordenVerwijderen
  12. Henny van IJperen11 mei 2017 om 21:02

    Theo, je hele verhaal gelezen. Geweldig. Sommige situaties waren me onbekend, en als je dan ook nog de hele familie kent, is dat helemaal mooi.
    Bedankt Groeten Henny

    BeantwoordenVerwijderen
  13. Dat laatste stuk over Na de oorlog.. had mijn interesse. Mooi. Afgelopen week de foto's van mijn mams, zij overleed in nov. '16, uitgezocht.. zij kwam in '49 met mijn vader wonen in Vlaardingen. Ik ben als 3e uit 4 meiden geboren in Dotterbloemstr. en opgegroeid in Van Leeuwenhoekstr. tot augustus 1973. Throw back time.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Ik begrijp de hang naar het verleden, heb ik zelf ook. Dank voor je compliment!

      Verwijderen